Back to Top
Zondag 05 Jul
86447 users - nu online: 1039 people
86447 users - nu online: 1039 people login
VAN ONZE EDITORS
Share:







lengte: 14 min. Printervriendelijke Pagina  
Homoprostitutie in Duitsland, 1871-1933 (deel 2)


door Caspar Wintermans in Historie & Politiek , 25 oktober 2009

This article is also available in English
lengte: 14 minuten


Tijdens het Keizerrijk en de Weimarrepubliek bloeide in Duitsland, ondanks restrictieve wetgeving, de homoprostitutie. In het eerste deel van dit artikel beschreef Caspar Wintermans de maatschappelijke situatie en de belangstelling van wetenschap en journalistiek. In dit tweede deel belicht hij enige bellettristische werken.

De aantekeningen van Richard Linsert, waarmee het eerste deel van dit artikel besloot, geven aan waar zijn politieke voorkeur was gelegen, en ook Hans Siemsen was links georiënteerd. Van zijn hand verscheen in 1927 Verbotene Liebe. Briefe eines Unbekannten, een roman waarin de schandknaap Ernest Arno aan het woord komt in brieven die hij stuurt naar de kunstschilder Fred S***, die, aldus Siemsen in een redactioneel commentaar, wegens overtreding van § 175 was gearresteerd en zich had opgehangen in zijn cel.

Tevoren had hij beschikt dat de brieven van Ernest aan Siemsen moesten worden overhandigd; Siemsen kon ze wellicht publiceren om de aandacht te vestigen op de ellende die dag in dag uit door de paragraaf werd aangericht. Dit alles was natuurlijk een voorbeeld van “manuscript-fictie.” Siemsen had de brieven zelf geschreven. Dat doet niets af aan de waarde van zijn boek. De schijn van authenticiteit is heel sterk; in korte zinnen - de jaren twintig waren de periode van de onopgesmukte “nieuwe zakelijkheid” - doet de pechvogel Ernest verslag van zijn vergeefse pogingen als kleermakershulp in zijn onderhoud te voorzien. Vrienden op wie hij bouwt, laten hem in de steek en uiteindelijk rest hem geen andere mogelijkheid dan zich te prostitueren.


“Ik vond ook werkelijk iemand. Een oudere heer. We gingen dus naar een hotel. Hoe ik me voelde kan ik U niet beschrijven. Ik wilde immers alles doen om wat geld te verdienen. Ik moest me uitkleden. Door de honger kon ik niet meer denken. Ik vroeg hem of het in het donker kon. Als alles maar achter de rug was. Maar ik kon niet doen wat hij van mij verlangde. U kunt zich niet voorstellen hoe ordinair deze man werd. Terwijl hij eruit zag alsof hij tot de betere standen behoorde. Ik wees hem af. Geen cent wou hij betalen. Ik kon bijna niet meer lopen. Dus sleepte ik me naar huis.”

Verbotene Liebe loopt niet goed af. Ernest’s positie is uitzichtloos. Behalve zijn werkloosheid is het ook zijn homoseksualiteit die hem parten speelt. Zijn emoties, vreugde, zorgen en gedachten verschillen evenwel niet wezenlijk van die van “normale” mensen, stelt Siemsen in zijn nawoord. De muren opgericht door vooroordelen, valse moraal, sensatiezucht, domheid en “minderwaardige wetenschap” - mogelijk een steek naar Hirschfeld’s theorie van “het derde geslacht” -, de muren die homo’s afzonderen als waren zij een gevaarlijke diersoort, worden in de eerste plaats opgericht door § 175. “Deze paragraaf plaatst het hele vraagstuk in de criminele en pathologische sfeer. Waar het helemaal niet thuishoort. Ze maakt van een zaak een probleem, die eigenlijk amper een probleem is.” Verstandige woorden, maar de hoofdstedelijke uitgeverij Die Schmiede, die Siemsen’s roman publiceerde, was vrij klein, zodat het werk weinig lezers zal hebben bereikt.

Illustratie: Een politieke spotprent uit 1907 van Magnus Hirschfeld, ‘Held van de dag,’ die steun optrommelt voor de afschaffing van paragraaf 175

‘Uit de kluiten gewassen, beeldschone jongens’

De naam van zijn collega-auteur Peter Martin Lampel daarentegen raakte ook buiten de landsgrenzen bekend. Op 22 december 1928 berichtte de Nieuwe Rotterdamsche Courant uitvoerig over de roem die Lampel plotsklaps ten deel was gevallen na de première in Berlijn van zijn “hedendaags schouwspel in drie bedrijven,” Revolte im Erziehungshaus. Lampel had een afwisselende carrière doorlopen alvorens door te breken in het theater: hij had in de oorlog gediend als artillerist en Zeppelin-piloot, verdiende ooit de kost als fietsenmaker en kermisklant, sloot zich in 1918 bij de communisten aan, was betrokken bij een politieke moord, studeerde theologie, filosofie en economie, nam contact op met Richard Linsert en Magnus Hirschfeld, van wie hij zich nadien weer distantieerde toen hij zich schaarde onder de hakenkruisvlag.

De ervaring die hij opdeed in het maatschappelijk werk - hij was een tijd lang staflid van Struveshof, een Berlijns internaat voor jongens die met justitie in aanraking waren gekomen - inspireerde hem tot het schrijven van Jungen in Not, waarin hij opmerkte dat er zich onder de op die tuchtschool geplaatste leerlingen “opvallend uit de kluiten gewassen, vaak beeldschone jongens” bevonden die als prostitué hadden gewerkt en die op de slaapzalen hun makkers initieerden in homoseks en hen attendeerden op de mogelijkheid “het vak” in te gaan. Oudere jongens, afgestompt en zonder perspectief, verkrachtten de jonge pupillen soms bruut, een probleem dat ook in Lampel’s stuk werd aangeroerd. “Laat toch dat kattenkwaad alsjeblieft. Kinderen, het maakt jullie alleen maar kapot,” maant het op Lampel geënte staflid in Revolte im Erziehungshaus. Waarop de raddraaier hem toebijt: “Dat is het enige plezier dat we hebben.”

Als het doek valt, zijn de leerlingen in opstand gekomen tegen de directie die op alle fronten gefaald heeft. De instelling wordt gesloten, waarmee de problemen van de pubers natuurlijk niet zijn opgelost. De ontknoping viel de recensent van de NRC dan ook tegen. “In drie heftige bedrijven toont de schrijver van dit stuk: hoe het niet moet. Blijft de vraag: hoe moet het wel? Maar daarover loopt Lampel heen met een vaag gebaar van: ‘Zoekt in uw innerlijk naar den rechten weg!’” De door de criticus geconstateerde tekortkomingen deden niets af aan de reusachtige indruk die het werk maakte. De jonge en overwegend onbekende acteurs lukte het “de atmosfeer van het milieu en het gebeuren als een nachtmerrie over de toeschouwers [te leggen].”



“Het publiek was opgewonden, uitte zijn ingenomenheid of protest niet als gewoonlijk in applaus en gefluit, maar in driftige uitroepen pro en contra. En aan het slot werden die betogingen nog sterker. Iemand op de galerij stond op en begon in een woedende redevoering het stuk neer te halen. Een ander klom tegen den rand van het tooneel op, heesch zich aan het voetlicht naar boven en stond een oogenblik later den auteur vurig te verdedigen. Toen kwam het van alle kanten los. In een loge zwaaide een fanatieke heer zijn zwart-behandschoende armen door de lucht en beweerde, dat de schrijver een leugenaar was; in het parket kwam een andere toeschouwer zóó heftig daar tegen op, dat twee politie-agenten zich gereed hielden om in te grijpen; en daar tusschendoor juichte of siste de massa.”

Na een half uur liet de directie de lichten in de zaal doven, waarop de debatten werden voortgezet in de garderobe en daarna op straat. Lampel’s stuk zou her en der meer dan vijfhonderd opvoeringen beleven en tot werkelijke opstanden leiden in diverse tuchtscholen. Ook zijn volgende toneelwerk, Pennäler (dat wil zeggen: middelbare scholieren), schuwde het thema homoseksualiteit en homoprostitutie niet; de NRC omschreef de auteur op 28 november 1929 naar aanleiding van de première ervan als “een Multatuli van de twintigste eeuw”: “De strijd, de strijd voor het recht, voor de vervolgden, is voor hem niet alleen hoofdzaak, maar éénige zaak.” Of Lampel’s oeuvre artistieke waarde had, was volgens de krant van ondergeschikt belang.

Chanteurs en hoerenjongens

De roman Männer zu verkaufen van Friedrich Radszuweit ten slotte blinkt evenmin uit door stilistische kwaliteiten - homo-emancipator Adolf Brand vond hem “vreselijk kitscherig” -, maar vormt een belangwekkend en onderhoudend historisch document. Radszuweit (we noemden hem reeds in het eerste deel) was een gewiekst zakenman die in de jaren twintig en de vroege jaren dertig tal van homoseksuele periodieken uitgaf als Das Freundschaftsblatt en Die Insel. Ze verschenen in grote oplagen en boden lezers de gelegenheid door het plaatsen van advertenties contact te leggen. Nummers van deze aantrekkelijk geïllustreerde bladen zijn zeldzaam geworden en worden door verzamelaars zeer gezocht; het zou mooi zijn als ze in een fotografische herdruk zouden verschijnen. Maar dit terzijde.

Radszuweit’s “Wirklichkeitsroman aus der Welt der männlichen Erpresser und Prostituierten” viel bij het publiek zeer in de smaak. De derde en vierde druk verschenen in februari 1931, zes weken na de eerste. De auteur was zelf verbaasd over dit succes en maakte in een nieuw voorwoord trots melding van de stapels fanmail die hij had mogen ontvangen.

Het verhaal opent dramatisch. Erich Lammers, een domineeszoon die voor dominee studeert en huisleraar is van het zoontje van baron Rotberg, keert na een wandeling terug in de woning van zijn werkgever waar de barones zojuist Erich’s kamer overhoop heeft laten halen omdat ze hem verdenkt een kostbare ring van haar te hebben gestolen. Verontwaardigd dient de jongeman zijn ontslag in, maar tijdens een onderhoud onder vier ogen smeekt de baron hem op dit besluit terug te komen, in de eerste plaats omdat het zoontje, Jürgen, “met een bijna dweperige verering naar [hem] opkijkt,” in de tweede plaats omdat Rotberg de hulp van Erich dringend nodig heeft. De aristocraat “met de veel te grote neus en waterige ogen” biecht op dat hij zélf de ring heeft ontvreemd om te kunnen voldoen aan de eisen van een afperser. Tien jaar geleden had Rotberg in een Berlijns hotel kennis gemaakt met een kelner die over een representatief uiterlijk beschikte.

“‘Lichtblond was zijn haar, lichtblauw zijn prachtige grote ogen, die zo onschuldig en trouw in de wereld blikten alsof alles louter vreugde en verrukking was. - Helder klonk zijn stem, helder en vrolijk klonk zijn gelach dat elke droefgeestigheid deed verdwijnen. Geen wonder dat ik, die enkel mijn eigen geslacht bemin, verliefd werd op deze levenslustige 22-jarige jongen.

Ontzet sprong Lammers overeind, liep enkele passen achteruit in de kamer, terwijl hij de baron aankeek alsof deze uit een andere wereld kwam. Eindelijk was hij van zijn verrassing bekomen, en met een stem vol verachting stiet hij uit: ‘Wat, bent U er zo één, baron Rotberg?’”

De held laat zich kalmeren. Zijn afschuw maakt plaats voor medelijden als Rotberg vertelt dat de engelachtige kelner zich al snel ontpopte als een chanteur aan wie hij grote sommen gelds heeft moeten betalen. Het is nu zover gekomen dat hij volledig blut is, en ten einde raad. Lammers belooft naar Berlijn te reizen om er de man te ontmoeten. Tegen de tijd dat hij in de stad arriveert, denkt hij al heel anders over homo’s:
“Hoe is het toch mogelijk? vroeg hij zich keer op keer af. 42.000 mark in tien jaar aan een misdadiger betalen [...] voor een daad die eigenlijk geen misdaad is en die niemand schade heeft berokkend. Wie is degene die zich aan zulke afpersingen schuldig maakt?

De schuldige, zo filosofeert Lammers, is enkel de domheid. De domheid van al diegenen die onder het mom van de moraal § 175 van ons Wetboek van Strafrecht handhaven. De domheid en de vooringenomenheid van de volksmassa, en daartoe behoren ook de hoger opgeleiden, die homoseksuelen als minderwaardig en verachtelijk beschouwen. Wie heeft er trouwens het recht zich te bemoeien met andermans bedgeheimen? De staat soms? De staat zou eigenlijk verplicht moeten zijn z’n burgers te beschermen voor een tragedie zoals die baron Rotberg is overkomen.”

Foto: Friedrich Radszuweit, portretfoto uit ‘Blätter für Menschenrecht,’ oktober 1929





‘Een atmosfeer van louter seksualiteit’

In Berlijn wacht Erich een grote verrassing. De kwelgeest van Rotberg, de zich noemende Helmut Hintze, blijkt zijn bloedeigen broer Herbert te zijn, die sinds jaar en dag met hun vader is gebrouilleerd. Herbert, zelf niet homoseksueel, voert, net als de meeste personages in de roman, verzachtende omstandigheden aan voor zijn laakbaar gedrag en gooit onder invloed van Erich opvallend snel het roer om. De broers bezoeken een aantal homobars om “het milieu” te bestuderen, wat Radszuweit de gelegenheid biedt zijn lezers te wijzen op de grote verschillen die er bestaan tussen de diverse etablissementen. Naast de vulgaire kroegen waar prostitués de klanten brutaal om sigaretten en bier vragen en “vieze moppen” tappen (“In dit lokaal hing een atmosfeer van louter seksualiteit”), zijn er cafés waar “verrukkelijke, werkelijk kunstzinnige muziek” ten gehore gebracht wordt en waar tijdens de vertolking van een smartlap “enkele jongens zich de tranen uit de ogen wisten.

Twee hadden hun hoofd op de tafel gelegd en huilden hartverscheurend.” Eén hunner, Karl Wieberneit, als secretaris ontslagen nadat hij zijn chef had bekend dat hij verliefd op hem was (“Je noemt je perversiteit, je schunnigheid liefde? Eruit, jij ellendige sodemieter, of ik laat je opsluiten!”), wil graag een punt zetten achter zijn hoerenbestaan. Erich weet een verzoening met diens familie te bewerkstelligen, zoals hij ook het conflict tussen Herbert en zijn ouders weet op te lossen. Barones Rotberg draagt het hare bij aan een happy end door te overlijden, en tijdens een feestelijke maaltijd concludeert Erich dat homo’s zichzelf veel ellende zouden besparen als ze niet vielen op hetero’s. Waarvan acte.


Männer zu verkaufen is een curieus boek. Homoprostitutie wordt erin beschreven als een maatschappelijke plaag, maar het omslag waarop een foto-collage van naakte jongemannen staat afgebeeld - alleen hun bovenlijf is zichtbaar, Radszuweit ging niet te ver -, is onmiskenbaar erotisch. Je kunt je voorstellen met welke ontzetting moeders het exemplaar doorbladerden dat ze hadden gevonden onder het matras van zoonlief die hun al zoveel zorgen gebaard had.

Dat het door Radszuweit aangekondigde vervolg op het boek niet verscheen, had twee oorzaken. In de eerste plaats stierf de schrijver in 1932, geveld door tuberculose. In de tweede plaats waaide de politieke wind in Duitsland inmiddels uit een wel zeer kille hoek. “Het gaat niet goed, het gaat niet goed, het gaat helemaal niet goed,” noteerde de homoseksuele auteur Klaus Mann op 6 februari 1933 in zijn dagboek. Een week eerder was Adolf Hitler tot rijkskanselier benoemd en daardoor waren de kansen § 175 te schrappen, verkeken; de wetten tegen de Schwulen werden aangescherpt, hun verenigingen, tijdschriften en cafés respectievelijk verboden, opgedoekt, gesloten.

Op 11 mei vonden de eerste boekverbrandingen plaats waarbij ondermeer de werken van Klaus Mann in vlammen opgingen. Hij was toen al geëmigreerd, evenals Stefan George. Hans Siemsen volgde hun voorbeeld. Martin Peter Lampel juichte de nieuwe orde aanvankelijk toe, maar ook hij verliet het land. Richard Linsert stierf in februari 1933; Hirschfeld, ziek en ontgoocheld - zijn wetenschappelijk instituut was door de nazi’s kort en klein geslagen - overleed te Nice in 1935. Tegen die tijd waren de eerste homoseksuelen al opgesloten in de concentratiekampen; onder hen bevonden zich ook talrijke Strichjungen.

Friedrich Radszuweit, ‘Männer zu verkaufen. Ein Wirklichkeitsroman aus der Welt der männlichen Erpresser und Prostituierten,’ Berlin: Verlag Martin Radszuweit, 1931

‘Gejankt als een kettinghond’

Kurt Hiller was in 1921 voor hen in de bres gesprongen toen hij in Die Freundschaft had geschreven: “Men denke vooral niet dat deze manier van geld verdienen moeiteloos is, dat dit beroep geen offers vergt. Het werk is onzeker, schommelend, verslappend; de transactie zelf vol walging, pijn, vernedering - zelfs voor de meest onverschilligen.” Het getuigenis van B*** Sch***, één van de door Linsert geïnterviewde jongens, laat daarover geen twijfel bestaan.
“Ze hebben alles van me gevergd en ik heb alles gedaan wat de kerels van me verlangden. Slechts één ding was uitgesloten: ik wilde me niet laten afranselen. Als ik ’s avonds naakt voor de spiegel stond en me bekeek, beleefde ik een dwaze vreugde aan m’n lichaam. [...] Slaan? Nee, het is niet nodig dat ik me laat slaan. Maar ik heb het toch geleerd. Ik heb het toch ‘nodig’ gehad.
Eindelijk komt er ’s nachts rond een uur of drie een weerzinwekkende vent die uit z’n mond stinkt.

De antieke foto’s van mannenkoppels bij dit artikel zijn ontnomen aan David Deitcher’s ‘Dear Friends: American Photographs of Men Together, 1840-1918,’ New York, Abrams, 2001, ISBN 9780810957121


Bibliografie

- Robert Boehringer, Mein Bild von Stefan George (1951). 2. Auflage. Düsseldorf: Küpper, 1968.
- Günther Grau, Homosexualität in der NS-Zeit. Dokumente einer Diskriminierung und Verfolgung. Frankfurt am Main: Fischer Taschenbuch Verlag, 1993.
- Hans Hafkamp en Maurice van Lieshout (red.), Pijlen van naamloze liefde: pioniers van de homo-emancipatie. Amsterdam: Uitgeverij SUA, 1988.
- Peter Martin Lampe, Revolte im Erziehungshaus. Schauspiel der Gegenwart in drei Akten. Berlin: Gustav Kiepenheuer Verlag, 1929.
- Martin Lücke, Männlichkeit in Unordnung. Homosexualität und männliche Prostitution in Kaiserreich und Weimarer Republik. Frankfurt / New York: Campus Verlag, 2008. ISBN 9783593387512
- Klaus Mann, Tagebücher 1931 bis 1933. Herausgegeben von Joachim Heimannsberg et al. München: Edition Spangenberg, 1989.
- Hans Ostwald, Männliche Prostitution. Leipzig: Verlag von Walther Fiedler, [1906].
- Friedrich Radszuweit, Männer zu verkaufen. Ein Wirklichkeitsroman aus der Welt der männlichen Erpresser und Prostituierten. 4. Auflage. Berlin: Verlag Martin Radszuweit, 1931.
- Franz Schonauer, Stefan George in Selbstzeugnisse und Bilddokumenten (1960). 5. Auflage. Hamburg: Rowohlt, 1976.
- Hans Siemsen, Verbotene Liebe. Briefe eines Unbekannten (1927). In: Schriften. I. Verbotene Liebe und andere Geschichten. Herausgegeben von Michael Föster. Essen: Torso Verlag, 1986.
- James Steakley, Anders als die Andern. Ein Film und seine Geschichte. Hamburg: Männerschwarm Verlag, 2007.

Al na twee minuten steekt hij z’n vinger in m’n reet. [...] Hij vraagt me of ik haar op m’n borst heb.
‘Nee!’
‘Laat voelen!’
Dan vraagt-ie of ik wat kan incasseren.
‘Wat incasseren?’
‘Een pak slaag!’
‘Ik laat me niet slaan.’
‘Dan niet.’ Hij staat op en gaat. ‘Ik zou niet hebben gekeken op een tientje.’
Een tientje, denk ik. Een tientje. Een tientje voor mij? En terwijl me de tranen van angst, walging en woede uit de ogen lopen, roep ik het idiote ‘Ik doe mee’ achter hem aan. [...] Hij heeft me met Provençaalse olie ingesmeerd en als afsluiting in m’n gezicht gepist. In plaats van een tientje heb ik maar vijf frank gekregen.
De volgende ochtend heb ik toen in alle vroegte in m’n kamer voor de grote spiegel met behulp van m’n zakspiegel m’n rug geïnspecteerd. Ook op de dijen had op enkele plekken de huid losgelaten, er zat bloed aan m’n aars en van m’n geslachtsdelen waren haren gerukt. Dat alles voor vijf frank. M’n hemd helemaal met olie besmeurd. M’n kostuum bedorven. Angst voor ziekte en ellendige pijn. Alleen bij de dood van m’n moeder heb ik zo gejankt als op dat ogenblik, als een kettinghond.”

Zo’n tweeduizend jaar geleden werd een Joodse timmermanszoon in Wiens naam homoseksuelen tot op de dag van vandaag worden verketterd, door schijnheiligen gekapitteld omdat Hij het gezelschap van verschoppelingen niet schuwde. “De meisjes van de straat,” hield Hij Zijn criticasters voor, “zullen het Rijk Gods eerder binnengaan dan U.” De jongens van de straat werden door Hem niet genoemd. Maar ik vertrouw erop dat Zijn sympathie ook de mishandelde B*** en diens pezende vakbroeders gold.

Met dank aan Marita Keilson-Lauritz, Wolfram Setz en Markus Wesche


2x per maand het laatste van onze redacteuren en nieuws updates in je inbox

Uitschrijven kan met 1 klik













GERELATEERDMEER VAN CASPAR WINTERMANSMEEST GELEZEN VAN CASPAR WINTERMANS

Homoprostitutie in Duitsland, 1871-1933 (deel 2)

Caspar Wintermans, in Historie & Politiek op 25 oktober 2020
Reageren? Jouw reactie:

Je naam:
Email (wordt niet getoond):
min. 15 karakters, geen links of html svp




















bottom image




Entire © & ® 1995/2020 Gay International Press & Stichting G Media, Amsterdam. All rights reserved.
Gay News ® is een geregistreerde merknaam. © artikelen Gay News; duplicatie niet toegestaan. Opname uitsluitend na schriftelijke toestemming van uitgever, met verplichte bronvermelding gaynews.nl. Door derden overgenomen artikelen worden in rekening gebracht, en zo nodig geincasseerd. Gay News ISSN: 2214-7640, ISBN 8717953072009. Gay News op Wikipedia.
Volg Gay News:
Twitter Issuu
RSS RSS Editors
zelfstandige Escortboys

CMI
Neem contact op
Abonneren
Adverteren






© 1995/2020 Gay News ®, GIP/ St. G Media