Back to Top
Zondag 05 Jul
86447 users - nu online: 1037 people
86447 users - nu online: 1037 people login
VAN ONZE EDITORS
Share:







lengte: 12 min. Printervriendelijke Pagina  
De herontdekking van Achille Essebac


door Caspar Wintermans in Films & boeken , 01 november 2008

This article is also available in English
lengte: 12 minuten


‘Bevend van angst, dronken van vreugde’

Op 2 februari 1905 speelde zich te Bonn een drama af dat de krant haalde. Jules-Marie Malbranche, een achttien-jarige student uit Parijs, schoot zich op klaarlichte dag in een park niet één, maar twee kogels door het hoofd. Wonder boven wonder overleefde hij deze wanhoopsdaad, die hij in een tevoren aan zijn ouders gestuurde brief had gemotiveerd: hij kon met zijn homoseksualiteit niet in het reine komen, was ongelukkig verliefd, en door de lectuur van Dédé, een roman van Achille Essebac waarin hij zijn eigen conflict weerspiegeld zag, in zijn voornemen gesterkt om een eind aan zijn leven te maken.


De verslaggever van de Kölnische Zeitung meldde dat Jules-Marie een beduimeld exemplaar van het boek had meegenomen op wat zijn laatste wandeling had moeten zijn.
De jongeman werd door zijn ontstemde en gechoqueerde vader een tijd lang ondergebracht in een gerenommeerd krankzinnigengesticht; de arts die hem daar behandelde - en over dit “geval” uitvoerig berichtte in een vakblad - zal de schuld van het incident misschien ten dele hebben gelegd bij de heer Essebac en diens uitgever, Ambert & Compagnie.


Boeken oefenen soms een gevaarlijke invloed uit, en die van Essebac werden in de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog, toen ze herdruk op herdruk beleefden, door talrijke bezorgde ouders ongetwijfeld als uitermate gevaarlijk bestempeld.

Essebac’s werken zijn in vergetelheid geraakt, zoals die van zovele van zijn collega’s die tijdens de Belle Époque hun lezers verrasten met “psychologische,” dat wil zeggen “pikante,” romans.

In de reeks waarin Dédé was gepubliceerd, de “Collection Ivoire,” verschenen ook boeken met pakkende titels als Luxuria, La Libertine en La Proie, wier succes leek op het effect van Chinees vuurwerk: heftig, maar kortstondig.

Degenen die tegenwoordig überhaupt nog met de naam van Essebac bekend zijn, kwamen hem waarschijnlijk tegen in L’Exilé de Capri (1959), Roger Peyrefitte’s geromantiseerde biografie van de gefortuneerde maar onfortuinlijke baron Jacques d’Adelsward-Fersen, die in juli 1903 (hij was pas 23), aan de vooravond van zijn huwelijk met een adellijke juffrouw, werd gearresteerd en tot een half jaar hechtenis veroordeeld wegens de “decadente” feesten die hij had georganiseerd in zijn woning aan de avenue Friedland.

Hierbij figureerden schaars geklede jongens in tableaux vivants waarvan de rechter vond dat ze iets té levendig waren. Essebac, die met Fersen bevriend was, verklaarde dat het hier keurige, artistiek verantwoorde manifestaties betrof. Hij was één van de weinigen die de in opspraak geraakte aristocraat niet verloochenden, en toen deze in 1909 Frankrijk’s eerste homotijdschrift, Akademos, oprichtte, leverde Essebac een bijdrage in de vorm van een klein artikel met een autobiografisch karakter.

De charmes van adolescenten

Peyrefitte, schrijver van de broeierige kostschoolroman Les Amitiés particulières (1944), had geen hoge dunk van Essebac. Zijn vernietigend oordeel over diens oeuvre, dat volgens hem niet tot de literatuur gerekend mocht worden, was echter niet gebaseerd op kennis van zaken. In een brief uit 1979 gaf hij toe de door hem gekraakte romans niet te hebben gelezen.
Deze brief was gericht aan Jean-Claude Féray, die als eerste een lans heeft gebroken voor de obscure schrijver. In maart verscheen van zijn hand Achille Essebac, romancier du Désir, terwijl hij ook het nawoord verzorgde van de herdruk van de Duitse vertaling uit 1902 van Dédé die recentelijk in het licht werd gegeven.

Het speuren naar informatie over Essebac’s leven werd bemoeilijkt door de omstandigheid dat zijn familie van naam is veranderd. Dat besluit valt wel te begrijpen. “Essebac” is een pseudoniem, een anagram van zijn familienaam “Bécasse,” dat “gans” betekent, een woord dat ook in het Frans een pejoratieve bijklank heeft. Een gans wordt voor dom versleten, vandaar dat de kinderen van Achille’s broers kozen voor een alternatief. In 2005 telefoneerde Féray met de kleinzoon van de jongste broer, wiens moeder - Achille’s nicht dus, geboren in 1913 - toen nog in leven was. De man beloofde Féray haar te zullen ondervragen over haar oom. Een paar dagen later kwam de vrouw te overlijden. Ze had gememoreerd dat Achille jeugdige figuranten van de Opéra placht te kostumeren; over zijn literaire activiteiten zei ze helemaal niets.



Henri-Louis-Achille Bécasse werd in Parijs geboren op 29 januari 1868. Zijn vader was eigenaar van een winkel waar gaslampen werden verkocht, en verdiende een aardig salaris. Van zijn zevende tot zijn dertiende bezocht Achille een katholieke kostschool in Passy. Zijn ervaringen daar maakten op hem een onuitwisbare indruk die zijn neerslag vond in zijn beroemdste roman, Dédé. Onduidelijk is waarom hij het internaat op zo’n jonge leeftijd moest verlaten. Een “bijzondere vriendschap” die aanstoot had gegeven? Of zijn povere resultaten? Hij was, zo hebben de archieven onthuld, een middelmatige leerling. Misschien kreeg hij na zijn vertrek privé-onderricht. Onzeker is ook of hij nadien studeerde aan de hoofdstedelijke École des Beaux Arts, maar er is veel wat wijst in die richting.

Het instituut wordt opvallend vaak genoemd in zijn werk; op de gemeentelijke lijst van kiesgerechtigden stond hij als tekenaar vermeld; en hij verkeerde op goede voet met talrijke kunstenaars. Het exemplaar van Dédé dat deel uitmaakt van de collectie van Paul Snijders bevat een met vulpen geschreven auteursopdracht aan de schilder George Barbier, die de balletdanser Nijnsky, door homo’s op handen gedragen, op weergaloze wijze heeft vereeuwigd.

Aan de publicatie in 1901 van Dédé was die van Partenza... vers la beauté! voorafgegaan, het verslag van een reis naar Italië dat op de valreep van de negentiende eeuw verschenen was. Hierin kwam een belangrijk thema van Essebac aan de orde: zijn bewondering voor mannelijk schoon, meer specifiek: zijn enthousiasme voor de charmes van adolescenten. In een tijd waarin, om Féray te citeren, “de cultus van het zogenaamde zwakke geslacht grensde aan idolatrie,” - de biograaf spreekt zelfs van vulvolâtrie - bejubelde Achille de naar zijn mening superieure schoonheid van de “ephebe.” Daar was moed voor nodig. Essebac realiseerde zich dat terdege. “Wat ik ga schrijven is immoreel,” waarschuwde hij in het voorwoord tot Dédé. “Kan zijn.” “De preutsen en de benepenen” adviseerde hij daarom zijn boek links te laten liggen.

Een vurige, maar kuise passie

Dédé is het relaas van de liefde van Marcel Thellier voor André Dalio, beiden leerlingen van een internaat te Parijs. André, wiens koosnaam de roman tot titel dient, is, hoe kan het ook anders, buitengewoon aantrekkelijk, hyper-sensitief en artistiek. Zijn gezondheid is zwak; Essebac laat er geen twijfel over bestaan dat de held geen lang leven beschoren zal zijn, en Marcel betrapt zich op de gedachte dat dit maar goed is ook; hij kan zich, wil zich geen voorstelling maken van een uit de kluiten gegroeide Dédé die het scheermes hanteert. Een soortgelijke morbide overpeinzing vinden we terug in de novelle Der Tod in Venedig (1911) van Thomas Mann: de schrijver von Aschenbach, in de ban van de veertien-jarige Tadzio, bespeurt genoegdoening in het voorgevoel dat de “tedere, ziekelijke” knaap niet oud zal worden.

Anders dan in Les Amitiés particulières en Henry de Montherlant’s Les Garçons (1969) spelen de docenten in Dédé een ondergeschikte rol. De verteller noteert enkel ironisch dat de meesten van hen opvallen door “een onberispelijke plastische lelijkheid.” Vandaar dat Dédé niet in hen is geïnteresseerd: hij wordt “gekweld door alles wat geen deel uitmaakt van de schoonheid,” en deze preoccupatie met visuele perfectie draagt hij over op Marcel, die zich erover verbaast dat het meisjes wél, maar jongens niét is toegestaan elkander te kussen. Het is dan ook een hele gebeurtenis wanneer hij, “bevend van angst, dronken van vreugde,” Dédé voor het eerst op de mond zoent. De volgende, tevens laatste kus geeft Marcel zijn door tuberculose gevelde vriend op een moment dat de non die bij het lichaam waakt, niet kijkt - een heimelijke liefkozing, alsof hij de lippen beroert van “de Hermes van Praxiteles...”



Marcel’s passie voor Dédé is vurig, maar kuis. Begeerte voelt hij veeleer voor Albert, met wie hij tijdens de zomervakanties op het platteland zwemt in de rivier. Essebac’s beschrijving van dit gepoedel is uitermate suggestief en zal menig homoseksuele tijdgenoot hebben aangesproken. Féray vestigt er de aandacht op dat de auteur in zijn romans verbloemd verwijst naar de “eenzame geneugten” waaraan zijn jeugdige personages zich - zonder enig schuldgevoel, overigens - overgeven: onder hun ogen zijn “blauwachtige schaduwen” zichtbaar, volgens de toen gangbare opvattingen een indicatie dat we hier met masturbanten hebben te maken.
De recensenten ontging dit, of verkozen het punt niet aan te roeren in hun kritieken die over het algemeen zeer lovend waren. Essebac’s stijl werd zelfs vergeleken met die van Flaubert, geen gering compliment.

Misogynie

Met een flinke portie zelfvertrouwen zette de auteur zich aan het schrijven van een tweede roman, Luc (1902), waarin zijn misogynie nog duidelijker naar voren treedt. Marcel’s houding ten aanzien van de vrouw in het algemeen was door hem kort en bondig verwoord in hoofdstuk 23 van Dédé: “Brrr...” In Luc wordt de hoofdpersoon - misdienaar, koorzanger, model en acteur - bemind door de schilder Julien Bréard. Deze is heel wat ingetogener dan de “schaamteloze” Rita Girly (what’s in a name?), die vastbesloten is Luc “te hebben” en tijdens de generale repetitie van een toneelstuk waarin hij de hoofdrol speelt “haar gretige hand onder zijn tuniek [steekt] met zo’n brutale precisie, aan het gebaar het obscene woord toevoegend,” dat “de tot het uiterste getergde jongen haar in het volle gezicht [spuugt].”

“Hij hield rekening met een wederkerige grofheid van de lichtekooi. Maar het speeksel was precies op haar mond terecht gekomen, en ze veinsde er gulzig de lauwheid van te drinken, haar vaalblauwe ogen sluitend in een kramp. Luc haalde minachtend zijn schouders op; toen ze dat zag, barstte ze in tranen uit...”

Rita Girly zorgt voor overlast, maar is niet echt gevaarlijk, dit in tegenstelling tot een tweetal dames voor wie een grote rol is weggelegd in Essebac’s derde bestseller, L’Élu (“de uitverkorene”), die eveneens van 1902 dateert. La Sanguisuga, dat wil zeggen “de bloedzuigster” en Albine de Miromesnil doen wat ze kunnen om de liefde te dwarsbomen die is opgebloeid tussen Pierre Pélissier, een tweeëntwintig-jarige Franse keramist, en Luigi, bijgenaamd Djino, een Romeinse jongen van zestien wiens charmes uitvoerig, haast obsessief worden beschreven. La Sanguisuga, ten prooi aan jaloezie, valt op het mes waarmee ze hem had willen doorsteken - Essebac schrok niet terug voor melodramatische scènes -, en Albine zweert plechtig Luigi, die ze naar haar slaapkamer gelokt heeft, pas de vrijheid te schenken als hij in haar bed is “gecrepeerd.” De stakker heeft een zwak hart, en sterft in het laatste hoofdstuk.

Tableaux vivants

Essebac situeert enkele bladzijden van L’Élu in het atelier van professor Peterson, die Romeinse jongens fotografeert ten behoeve van een homoseksuele clientèle. Luigi is één van zijn modellen, maar had nooit naakt wilen poseren vóórdat hij Pierre had ontmoet. “De wens [hem] te behagen overwon ten slotte zijn charmante scrupules.” De lezer wordt herinnerd aan fotografen als baron Wilhelm von Gloeden en Wilhelm von Plüschow (bijgenaamd “le plus chaud”: “de heetste”!) die, in Italië werkzaam, rond 1900 roem hadden verworven met hun opnames van schaars gekleed of ongekleed mannelijk schoon.


Esebac kende hun werk goed - een plaat van von Gloeden sierde het omslag van een editie van Dédé -, en stond zelf graag achter de camera, zoals onlangs werd aangetoond toen een album met 156 door hem gemaakte foto’s werd verkocht in Parijs. Er hing een prijskaartje aan van € 3500.

Het is een fascinerende verzameling. Essebac fotografeerde adolescenten, evenals genoemde Duitse kunstenaars, maar terwijl zij antiekiserende naaktfoto’s vervaardigden, zijn Essebac’s modellen gekleed in middeleeuwse en renaissance-kledij. Het lijken acteurs in een toneelstuk. Mogelijk kwamen ze bij Fersen over de vloer om op te treden in diens tableaux vivants.

Het schandaal waar deze feestjes aanleiding toe gaven, barstte, zoals gezegd, uit in de zomer van 1903.

Féray vermoedt dat het op Essebac’s verdere loopbaan grote invloed gehad heeft. Menig journalist ging tekeer tegen de gevaren van de “decadente” - lees: homoseksuele - literatuur. Pleidooien voor een ethisch réveil waren legio, en hoewel ook nog na Fersen’s veroordeling herdrukken van Dédé, Luc en L’Élu in de handel werden gebracht, had Essebac’s volgende roman, Les Griffes (1904), niets met de Griekse liefde van doen, evenmin als Nuit païenne (1906), waarin hij het jaarlijkse, nogal ruige, door de studenten van de École des Beaux Arts georganiseerde bal beschrijft.

Naast het reeds vermelde artikel in Akademos publiceerde Essebac alleen nog een novelle in het literaire tijdschrift Pan. Dat was in 1910. Tot aan zijn dood op 1 augustus 1936 te Parijs aan de gevolgen van een longontsteking hulde de auteur, die sinds jaar en dag de kost als boekhouder had verdiend, zich in stilzwijgen. Zijn overlijden werd door de pers niet opgemerkt. De aandacht ging uit naar de Olympische Spelen in het nationaal-socialistische Duitsland, waar inmiddels alle homokroegen van staatswege gesloten waren, daaronder de “Dédé-bar” in Berlijn. Het stof van de vergetelheid dwarrelde neer op Achille Essebac en zijn merkwaardige œuvre.

Verborgen verlangens

Jean-Claude Féray heeft met zijn boeiende biografie van de romancier, waarin als appendix lange passages uit diens vrijwel onvindbare werken zijn opgenomen, pioniersarbeid verricht. Hij is zich ervan bewust dat een roman als Dédé, geschreven als hij is in de gemaniëreerde, enigszins anachronistische stijl van het fin-de-siècle, op de moderne lezer wat vreemd kan overkomen. Elk tijdperk heeft nu eenmaal zijn eigen uitdrukkingsvorm. Maar men doet Essebac tekort door hem als “ouderwets” of “achterhaald” af te doen. Hij had het lef de herenliefde op een positieve wijze te boek te stellen, en nam de hoon van critici als Henri Gauthiers-Villars (“Willy”), die zijn gepassioneerd, poëtisch proza wegwuifde als “kuise smerigheid,” op de koop toe. De lotgevallen van Dédé in het bijzonder raakten bij talloze homo’s een gevoelige snaar. Essebac gaf een stem aan hun diepste en doorgaans verborgen verlangens.

Ik kijk naar het portret van de schijver dat in Féray’s studie staat afgedrukt (en dat we van Essebac’s familie helaas niet mogen reproduceren), en vraag me af in hoeverre de onberispelijk geklede Fransman, die een beschermende arm om de schouder van zijn jongste broer legt, zélf heeft kunnen genieten van het leven zoals dat voor de meesten van ons een vanzelfsprekende zaak is. Vond hij voldoening? Of is op hem van toepassing wat de onder zijn seksuele oriëntatie gebukt gaande Thomas Mann schreef in Der Erwählte? “Heel vaak is vertellen slechts een surrogaat voor genoegens, die wij zelf of de hemel ons ontzeggen.”

Met dank aan Paul Snijders

Achille Essebac, Dédé. Aus dem Französischen von Georg Herbert. Mit einem nachwort von Jean-Claude Féray. Hamburg: Männerschwarm Verlag, 2008 (Bibliothek rosa Winkel, Band 47), 256 blz., illus. ISBN: 9783939542476
Jean-Claude Féray, Achille Essebac, romancier du Désir. Parijs: Quintes-Feuilles, 2008. 340 blz., illus. ISBN: 2951602391
2x per maand het laatste van onze redacteuren en nieuws updates in je inbox

Uitschrijven kan met 1 klik













De herontdekking van Achille Essebac

Caspar Wintermans, in Films & boeken op 07 november 2020
Reageren? Jouw reactie:

Je naam:
Email (wordt niet getoond):
min. 15 karakters, geen links of html svp




















bottom image




Entire © & ® 1995/2020 Gay International Press & Stichting G Media, Amsterdam. All rights reserved.
Gay News ® is een geregistreerde merknaam. © artikelen Gay News; duplicatie niet toegestaan. Opname uitsluitend na schriftelijke toestemming van uitgever, met verplichte bronvermelding gaynews.nl. Door derden overgenomen artikelen worden in rekening gebracht, en zo nodig geincasseerd. Gay News ISSN: 2214-7640, ISBN 8717953072009. Gay News op Wikipedia.
Volg Gay News:
Twitter Issuu
RSS RSS Editors
zelfstandige Escortboys

CMI
Neem contact op
Abonneren
Adverteren






© 1995/2020 Gay News ®, GIP/ St. G Media