Back to Top
Maandag 20 Jan
86405 users - nu online: 1443 people
86405 users - nu online: 1443 people login
VAN ONZE EDITORS
Share:







lengte: 7 min. Printervriendelijke Pagina  
Feuilleton - Kom, Spring dan, Markies


door Leo Gillet , 24 juni 2004

This article is also available in English
lengte: 7 minuten


Hoewel op het eindexamen van het gymnasium niet naar Strato van Sardes wordt gevraagd, wist Joris Vescht, derdejaars student kunstgeschiedenis en voor twee semesters blokkend aan de Sorbonne, wel wat hij deed toen hij aan boord stapte van de TGV no. 435 met bestemming Montélimar, chef-lieu van het departement van de Drôme en hoofdstad van de noga.

‘Ik wil nu wel eens zien hoe de vork in de steel zit’, mompelde de jongen, toen de trein op gang kwam en in het kwijnende licht van de wintermiddag snelheid maakte door de zuidelijke buitenwijken van Parijs.

Hij zou zijn studie in de Lichtstad niet voor half februari hervatten en had dus maar besloten gehoor te geven aan de hartelijke uitnodiging van Nicolas Aïvazovsky-Grignan, beroemd schilder en cineast: Zovsky (voor vrienden) was tevens verdienstelijk dichter en wijsgeer, kortom, homo universalis met vrij zwavelachtige reputatie, die na de donkere feestdagen weer zijn villa op het markgrafelijke familiedomein nabij het stadje Nyons had betrokken.

‘Misschien zet ik de oude bok nog wel de hoorns op,’ ging het door Joris zijn hoofd, maar een plotse scheut in de maagstreek strafte deze verwaten opwelling af. De jongen haalde de brief uit zijn binnenzak en las hem nogmaals over. Ja, zo stond het er toch:
‘Heel veel dank voor je brief van de 9de, die hier vanmorgen aankwam en voor je pasfoto. Hoe komt iemand aan zulk een mond! Ik beroer mij, terwijl ik droom hoe jij de schooljongens van hiertegenover na uitverkiezing vernedert, koestert en onteert.’

Er volgden enkele overwegingen aangaande het windstille, zonnige weer. Aïvazovsky bleef misschien langer dan voorzien, mogelijk tot het eind van de maand. Moest hij misschien Joris zijn retour Parijs-Montélimar betalen? ‘Zulks voor het geval je wilt komen.’
De flauwe verhoging van dit zinnetje ten opzichte van het vorige en de nauwelijks zichtbaar lichtere pennenstreek waarmee het geschreven was, alsof de inkt hier was begonnen op te raken, deden Joris een toevoeging van het laatste ogenblik vermoeden.

‘Zou die krent nu heus denken dat ik geld voor de trein van hem wil aannemen, zonder van plan te zijn hem ook werkelijk te komen opzoeken?’ mijmerde hij.
Het idee was niet eens bij hem opgekomen, maar, bij nader inzien, was de constructie theoretisch mogelijk: hij had zich door de schilder geld voor een retour Parijs-Montélimar kunnen laten toesturen en hem gewoon hebben laten zitten om elders de bloemen te gaan buitenzetten.
Niet per se uit slechtigheid of berekening, maar bij gebrek aan moed op het laatste ogenblik. Begaf hij zich tenslotte niet in het hol van de leeuw? Had de schilder van het triptiek L’Eternel Retors niet een welverdiende reputatie? En hoe moest hij voor hem poseren? Wat kon hij verwachten, onder vier ogen met die man op zo’n verlaten plek?

Het was echter niet vol achterdocht dat Joris zich naar het domein van de markies spoedde: hij was nogal goed van vertrouwen. Een goede trouw toe te schrijven aan een oprechte bewondering voor de vijftigjarige.
Joris haalde een tweede brief uit zijn zak tevoorschijn:
‘De Mont Ventoux is van deze kant van het dorp nauwelijks te zien, maar bevindt zich ongeveer een half uur rijden hiervandaan. Dichterbij ligt de opgegraven Romeinse stad Vaison La Romaine, die bepaald de moeite waard is.

Het weer is vannacht omgeslagen, van zomers tot opeens zeer guur, maar toch droog en zonnig, als voorheen.
Ik zal proberen je enige gezelligheid te bieden. Ik zal alles de eerste dag naar goeddunken inrichten en hoor dan wel wat jou niet bevalt. Niet uit geilheid, maar in de eerste plaats uit praktische overwegingen raad ik je aan in de voorkamer, dat wil zeggen in dezelfde kamer als ik, te slapen, omdat het geraas van de Mistral aan de achterkant van het huis wel erg luguber is om te horen en bij wakker te liggen. Je krijgt drie maal per dag te eten en vrij drinken. Ik heb veel werk om handen, dus als je ook eens enkele uren geen zorg bent, komt dat gemakkelijk uit.
De auto is een grote Citroën bestelwagen, crême-wit, met het nummer 71AB9-69 (ik heb hem in Lyon gekocht). Ik zal proberen reeds om ongeveer 22.00 uur op het station te zijn.’

‘C’est un abbé neuf’, herhaalde Joris binnensmonds. Nu ja, de toon van de brief was, alles welbeschouwd en ondanks de strengheid ervan, welwillend. Alleen dat nummerbord… En dan: het was vandaag zijn verjaardag, het feest van zijn komst op de wereld. Gunstige samenloop van omstandigheden of onheilspellend voorteken? ‘Ik moet nog zien in wat voor een krib ik vanavond kom te maffen,’ mediteerde Joris, toen de trein begon af te remmen bij nadering van het station van Montélimar.

Voor Zovsky was deze dag van de 22ste januari nogal onvruchtbaar geweest. Hij was wel, bij het krieken van de dag, aan zijn ezel gaan staan om lusteloos enkele penseelstreken van de vorige dag te corrigeren, maar lekker ging het niet.
God nog aan toe! Als dat zo begon, reeds in afwezigheid van de jongen, hoe moest dat dan gaan, als Joris eenmaal goed en wel was aangekomen. Wonderlijke voornaam, overigens, een beetje ouderwets maar toch wel prettig. Een vechtersbaas, die heilige Joris, eentje met lef. Voor geen kleintje vervaard. Niet te beroerd om met zijn lansje voor de muil van de draak te zwaaien. ‘Dat ben ik dan,’speculeerde de schilder, triestig voor zich uit grinnikend, ‘die draak, dat ben ik: een draak van deugd, dat is toch bekend.’

Het geschilder en geschets kon hij de komende dagen wel vergeten. De aanwezigheid in vlees en bloed van die engel hier in huis zou alle toverplaatjes die hij uit zijn penseel liet vloeien op slag doen verbleken. Zijn tubes kon hij maar beter dichtschroeven.
Zou hij vanavond, als hij naar het station ging, eens zijn roosje van het Légion d’Honneur opspelden? Zou zijn eerwaardigheid op de jongen indruk maken of zou hij de dracht van dat insigne aanstellerig vinden? Waarschijnlijk zou zijn rosette in het duister van het nachtelijk perron onopgemerkt blijven. Opzichtig was het roosje niet. ‘Hij heeft zijn lans en ik mijn roosje. A bon chat, bon rat.’

Hij had echter nog een lange dag te trekken, gezien het late aankomstuur van de jongen. Een uur waarop hij gewoonlijk al lag te slapen: nu zou hij in zijn bestelwagen moeten klimmen en vijftig minuten in het donker karren. En dan nog (of Joris nu wel of niet uit die trein stapte) vijftig minuten terug.
Wat bezielde die jongen om een zo waanzinnig late trein te nemen? Was hij een nachtvogel die niet vóór een uur of twee de slaap kon vatten? Voor wie je het ene flesje na het andere kon opentrekken, zonder dat er een eind aan zijn verhalen kwam over zijn zus en zijn ex. En die je woning met de stank van zijn sjekkies (als het geen jointjes waren) bezwangerde. Die jou van medeplichtigheid met de consumptiemaatschappij betichtte (hoewel, dat was uit de tijd) of na middernacht nog een muziekje verlangde, om ‘nog effe uit zijn bol te gaan’. Of misschien was die Joris wel zo’n bokkig jong waar je elk woord uit moest trekken.



Wat wist hij eigenlijk van Joris? Tenslotte had hij de jongen slechts één enkele keer gezien, niet langer dan een ogenblik, in het gedrang van een overvolle receptie. Bij die gelegenheid ging Joris gekleed in een jagersjasje van zeegroen tweed, met hoge taille en een wit katoenen, achteloos om de hals geslagen sjaal: een combinatie die niet alleen het blauw van zijn ogen had versterkt, maar ook zijn laffe trots goed deed uitkomen. Het waren zonder enige twijfel de kleuren van de Ontwaakte, van de Tathagata, in zijn diamanten verschijning van de Kliever van de kosmische illusie. Het mannelijk symbool van de Verlichting. De lans van Joris! Maar wat bazelde hij toch? Kon hij soms de jongen met een smartlap of een doekje voor het bloeden vangen? Of zo dieper doordringen tot de geheimen van zijn hart?

Had al dat boeddhistische gebeuzel, dat tantrische getut hem ook maar één keer, hij wilde niet zeggen: aan een jongen geholpen, zoveel vroeg hij niet, maar van zijn kwellingen en hunkeringen bevrijd? Hadden al die satsangs en sutras hem ooit de paradox en het conundrum van lijden en verlangen bespaard? Als schilder was hij toch een ziener, een kenner van het onmiddellijke zien. Vorm of kleur zijn leegte, leegte is vorm of kleur, heette het. Maar wat schoot een mens daarmee op? Dat lag mijlen ver van het bedje van de jonge Joris in vlees en bloed.

En: wat wist hij eigenlijk van de jongen? Wat had de eigenaar van de galerie ook al weer tegen hem gezegd? Een intelligente jongen, vroeg wijs, een talenwonder. En wat meer is, betrouwbaar, van goeden huize. Maar wat mocht het? Er kon toch altijd nog een addertje onder het gras schuilen.
Hij had die hele godganse dag nog te trekken. Zou hij het droog houden tot vanavond? Hij moest zichzelf maar een roestvrij dagprogram voorschrijven: met tuinieren, bouwen, boodschappen doen. Spullen inkopen, autopapieren in orde maken, een nieuwe vignette halen. Aanschaf van gips en cement. Eventueel winterzaad?












GERELATEERDMEER VAN LEO GILLETMEEST GELEZEN VAN LEO GILLET

Feuilleton - Kom, Spring dan, Markies

Leo Gillet, in op 25 juni 2020
Reageren? Jouw reactie:

Je naam:
Email (wordt niet getoond):
min. 15 karakters, geen links of html svp








TOP STORIES

MEEST GELEZEN (6 mnd)IN IN NUMMER 153














bottom image




Entire © & ® 1995/2020 Gay International Press & Stichting G Media, Amsterdam. All rights reserved.
Gay News ® is een geregistreerde merknaam. © artikelen Gay News; duplicatie niet toegestaan. Opname uitsluitend na schriftelijke toestemming van uitgever, met verplichte bronvermelding gaynews.nl. Door derden overgenomen artikelen worden in rekening gebracht, en zo nodig geincasseerd. Gay News ISSN: 2214-7640, ISBN 8717953072009. Gay News op Wikipedia.
Volg Gay News:
Twitter Issuu
RSS RSS Editors
zelfstandige Escortboys

CMI
Neem contact op
Abonneren
Adverteren






© 1995/2020 Gay News ®, GIP/ St. G Media