Back to Top
Vrijdag 22 maart
86276 users - nu online: 1277 people
86276 users - nu online: 1277 people login
VAN ONZE EDITORS
lengte: 14 min. Printervriendelijke Pagina  
Zedenschandaal


door Hans Hafkamp in Historie & Politiek , 16 mei 2004
lengte: 14 minuten


In de eerste helft van de twintigste eeuw werd Nederland met een zekere regelmaat opgeschrikt door zogenaamde "zedenschandalen". Hiervan is het Haagse zedenschandaal, dat in 1920 de residentie in zijn ban hield, wel het bekendste. Dit komt mede door hardnekkige geruchten dat zowel Prins Hendrik, de echtgenoot van koningin Wilhelmina, als Louis Couperus erbij betrokken zouden zijn geweest. Recent hebben de homohistorici Theo van der Meer en Paul Snijders geprobeerd feiten en fictie in deze zaak te scheiden.

In 1922 verscheen bij de Haagse uitgeverij Luctor et Emergo de roman Het Masker, geschreven door Ch. van Heezen, een pseudoniem van J.H. François. Dit boek, dat vertelt over het wedervaren van de jonge onderwijzer Herman Winters, die in een ongenoemde provincieplaats hopeloos verliefd wordt op zijn zwart-harige, heteroseksuele collega Alex de Veer, kan zonder twijfel gerekend worden tot het genre van de "homoseksuele keukenmeidenroman", dat in het vooroorlogse Nederland een kleine bloei doormaakte.

De literaire waarde van deze romans mag gering zijn, ze hebben een hoge documentaire waarde. Geheel terecht schrijft Paul Snijders in zijn inleiding bij een herdruk van deze roman in Gay 2004 dan ook dat de auteur in Het Masker "levensecht verslag [deed] van het dagelijkse leven van homo's in de eerste helft van de twintigste eeuw. Waar ontmoetten ze elkaar, hoe stond het met de liefde, hoe spraken ze, wat vonden ze van elkaar en van de buitenwereld, hoe werd er gedacht over nichterige types...?"

Omdat Herman Winters Den Haag gebruikt als vluchthaven als het leven achter "het masker" in zijn dorp hem te veel wordt en hij onder "gevoelsgenoten" wil zijn, biedt deze roman heet van de naald een fascinerend beeld van de uitwerking van het Haagse zedenschandaal op de homo's van toen. Helemaal toevallig was de gedeeltelijke situering van Het Masker in Den Haag overigens niet, aangezien dit de woonplaats was van François.


Tijdens één van zijn uitstapjes naar Den Haag wordt Herman Winters gewaar dat "in het afzonderlijke wereldje van hen, die het masker droegen, [...] met groote beroering [werd] gesproken over een zedenschandaal in Den Haag, dat de kranten met door kortheid dubbel pikante berichten vermeld hadden. [...] Bekende personen, wier anders-zijn meer of minder een publiek geheim was, waren, volgens de bitterende, in broddelen voor oude dames niet onder doende ouwe heren, alle in het schandaal betrokken. [...]

Toch was er, buiten deze opgeblazen kletserijen, genoeg om bij hen, wie de zaak meer aanging, ontsteltenis te wekken. Vooral toen bekend werd op hoe weinig scrupuleuze wijze de politie - militaire en gemeentelijke - te werk ging, ten einde zoveel mogelijk 'materiaal' te verzamelen. Zij ontzag zich niet bekende prostitué's - jonge jongens, die om rook- en bioskoophartstocht te kunnen botvieren, soms de schijn aannamen anders te zijn - te pressen tot het noemen van namen; met hen door de stad te wandelen tot het aanwijzen van hun bekende heeren, of deze op de 'strichs' door hen te laten aanspreken, in de hoop, dat de geen kwaad vermoedenden in den val zouden lopen."
Ziehier in kort bestek de ingrediënten van het Haagse zedenschandaal: verhullende berichtgeving in de pers, betaalde seks door minderjarigen, bekende personen, dubieus politieoptreden.

Onrechtvaardige strafbepaling

Voor een goed begrip van het Haagse schandaal moeten we terug naar 1911, toen door late interventie van de katholieke minister E.R.H. Regout voor het eerst in precies honderd jaar een discriminerende leeftijdsbepaling voor homoseksuele handelingen in de wet werd opgenomen. Artikel 248bis stelde seksuele contacten strafbaar met iemand van hetzelfde geslacht tussen de 16 en 21 jaar, terwijl voor heteroseksueel contact de leeftijdsgrens op 16 was gesteld.
De invoering van dit omstreden wetsartikel had onvermoede gevolgen. Het leidde namelijk ook tot de oprichting van de eerste homo-organisatie in Nederland, onder leiding van de Zeeuwse jonkheer J.A. Schorer, die, bijvoorbeeld met zijn brochure Tweeërlei maat, tegen deze ongelijke behandeling te strijde trok.

Eén van Schorer's medestanders was de pseudonieme Veritas, die in zijn in 1914 verschenen brochure Nogmaals over Uranisme (Homosexualiteit): Antwoord aan den heer J. Rensburg Jr. te Amsterdam en eenige woorden over artikel 248bis wetboek van Strafrecht met grote opluchting het overlijden van Regout in 1913 memoreerde: "Mijne oprechte overtuiging is dat door zijn overlijden ons volk voor vele onrechtvaardige strafbepalingen is gespaard gebleven."
Achter het pseudoniem Veritas verschool zich Carel Sixma baron van Heemstra, die in 1920 één van de protagonisten was in het drama dat zonder Regout's wetsartikel veel minder omvangrijk zou zijn geweest.

Een causaal verband is niet zeker, maar het zedenschandaal lijkt samen te hangen met een andere geruchtmakende gebeurtenis in homo-Nederland, namelijk de vertoning van de Duitse voorlichtingsfilm Anders als die Anderen, gemaakt in overleg met de Duitse emancipatiepionier dr. Magnus Hirschfeld, die er ook zelf in optrad. In februari 1920 werd deze film door ondermeer de politie goedgekeurd voor vertoning in Den Haag. Na protesten door de christelijke fracties in de gemeenteraad en verontwaardige commentaren in de pers werd deze goedkeuring haastig weer ingetrokken en de film verdween van het scherm.

Een maand later begonnen de arrestaties in verband met een "zedenschandaal van niet nader te noemen aard," zoals de pers het omschreef. Uit de uitvoerige reconstructie van de gebeurtenissen die Theo van der Meer en Paul Snijders onder de titel "'Ernstige moraliteits-toestanden in de residentie.' Een 'whodunnit' over het Haagse zedenschandaal van 1920" publiceerden in Pro Memorie: Bijdragen tot de rechtsgeschiedenis der Nederlanden lijkt de hele zaak aan het rollen gebracht door auditeur-militair Van Rossem. Klaarblijkelijk maakte Van Rossem zich zorgen over het feit dat minderjarige dienstplichtige soldaten door betaalde seks hun karige soldij aanvulden, om, zoals Van Heezen schreef, hun "rook- en bioskoophartstocht te kunnen botvieren."

Arrestaties

Op een niet nader gespecificeerde "avond in maart" had de Militaire Politie een burgergetuige gehoord in een zaak tegen een gedetineerde militair, die in het Provoosthuis (de militaire gevangenis) vastzat. De MP's ontdekten tijdens het verhoor dat de burger zich waarschijnlijk had schuldig gemaakt aan overtreding van art. 248bis WvS, en hij werd voor de nacht ingesloten in het Provoosthuis. De volgende dag liet Van Rossem de officier van justitie weten dat was gebleken "dat meerdere burgers hier ter stede zich hadden schuldig gemaakt (en vermoedelijk nog schuldig maakten) aan handelingen tegenover in het provoosthuis gedetineerde militairen, welke strafbaar waren gesteld bij art. 248bis."


De zedenpolitie kreeg vervolgens een lijstje van "vermoedelijk tien" namen, met het verzoek snel in te grijpen gezien het vluchtgevaar.
Op 12 maart berichtten verschillende kranten over de eerste arrestaties, waarbij ook personen uit "gegoede standen" aangehouden zouden zijn. Mede op basis van deze mededeling suggereren Van der Meer en Snijders dat de burgergetuige door wiens verhoor de zaak aan het rollen werd gebracht wel eens niemand anders zou kunnen zijn dan Carel Sixma baron van Heemstra, de pseudonieme Veritas. Hij is namelijk niet alleen de enige arrestant uit "gegoede standen", maar lijkt ook de enige te zijn geweest die contact had gehad met de beide op die "avond in maart" gedetineerde militairen, die ook bij de zaak betrokken waren, hoewel pas op 13 maart een bevel van aanhouding tegen de baron werd verleend.

De reeks aanhoudingen die in de daarop volgende weken volgde, leidde op 3 juni tot een "monsterproces" waarbij maar liefst dertig mannen tegelijk voor de Haagse arrondissementsrechtbank verschenen. Aanvankelijk meende men dat dit slechts het topje van de ijsberg was en dat er nog veel processen zouden volgen. De negentiende-jarige Piet van Loon, die niet bij het proces was betrokken maar het als homo wel op de voet volgde, meldde een vriend dat hij had vernomen dat de rechtbank rekening hield met meer dan honderd beklaagden, maar dat er lijsten zouden circuleren met duizenden, zelfs tienduizenden namen.

Uit Van Loon's correspondentie blijkt dat ook "subjectief geïnteresseerden" niet van de juiste toedracht op de hoogte waren (hoewel hij misschien ook nog wel erg jong was - en bovendien minderjarig! - om in vertrouwen te worden genomen). Hoewel hij een paar van de betrokkenen kende, schreef hij bijvoorbeeld: er "moeten eenige perverse typen een 'diner' gegeven hebben, waar een 50tal jongens aanwezig waren van 16-20 jaar in... adamskostuum. Stel je voor. Is 't niet om je een rotje te lachen." Van der Meer en Snijders concluderen echter dat er "geen enkele bron [is] die bevestigt dat een diner - als het in deze vorm al gehouden is - aanleiding zou zijn geweest voor de reeks aanhoudingen."

Na de overbevolkte rechtszitting van 3 juni zijn er waarschijnlijk nog een paar mensen in verband met het schandaal vervolgd, maar zeker niet zo grootschalig als eerst werd verwacht.
De meeste beklaagden kregen straffen die varieerden van vier maanden tot anderhalf jaar, meestal met aftrek van voorarrest. Aangezien de strafmaat in het merendeel van de gevallen lager uitviel dan was geëist ging niemand in hoger beroep.
Onontkoombare doem

Afgezien van de omvang zou het Haagse zedenschandaal bijgeschreven kunnen worden als één van de zedenschandalen die in vooroorlogs Nederland plaatsvonden en zelfs algemener als een extreme samenballing van vervolgingen in het kader van artikel 248bis, waarvan er 1354 zijn gevoerd tussen 1911 en 1939 en waarvan de geschiedenis nog geschreven moet worden. Deze geschiedenis zou niet zonder belang zijn, niet alleen omdat ze een grimmige blik zou bieden op de onontkoombare doem waaronder veel homo's in die tijd leefden (want het is natuurlijk moeilijk om te bepalen of een militair negentien of tweeëntwintig is), maar ook omdat hierin verschillende coryfeeën uit bijvoorbeeld de Nederlandse literatuur zouden figureren.

Het is algemeen bekend dat de dichter Willem de Mérode in 1924 tot acht maanden gevangenisstraf werd veroordeeld, maar hij was niet de enige. Eerder publiceerde Pro Memorie al een uitvoerig artikel van Gretha Donker over het proces tegen J.C. Bloem, dat ook in 1920 plaatsvond, overigens op basis van art. 239, dat "openbare schennis van de eerbaarheid" tot onderwerp heeft, maar een vervolging op basis van art. 248bis had voor de hand gelegen aangezien in het proces verbaal nog gewag werd gemaakt van "het plegen van ontucht met minderjarige jongens."

Maar ook de letterkundige P.J. Meertens (het model voor meneer Beerta in Voskuil's Het Bureau) zou in de geschiedenis van de vervolging op basis van 248bis een plaats moeten krijgen. In zijn autobiografie De stad is een gesprek: Terugblik op mijn leven schrijft Richter Roegholt dat er kort na de oorlog over Meertens "werd gefluisterd dat er in de jaren dertig 'iets was geweest', een proces of zo." Roegholt kan hieraan toevoegen dat ondertussen bekend is dat Meertens in september 1940 werd gearresteerd en tot acht maanden gevangenisstraf veroordeeld vanwege homoseksuele contacten met een minderjarige. Het opmerkelijke van Roegholt's passage over Meertens is, dat dus zelfs betrekkelijk kort na het gebeuren de ware toedracht al niet meer duidelijk was.

Prins Hendrik

Zoals er over Meertens werd gefluisterd, werd in het kader van het Haagse zedenschandaal jarenlang gefluisterd over betrokkenheid van Louis Couperus en Prins Hendrik. De auteurs hebben niet kunnen achterhalen waar de naar alle waarschijnlijkheid ongegronde verhalen over Couperus' betrokkenheid vandaan komen, maar wel de bron voor het gefluister over Wilhelmina's gemaal, dat in de jaren tachtig voor waar werd neergepend door Hugo Arlman en Gerard Mulder in hun boek Van de Prins Geen Kwaad: Prins Hendrik & andere dossiers van Oranje.


Zij baseerden zich namelijk op de ongepubliceerde memoires van Evert baron Wittert van Hoogland tot Emiclaer, die onder andere schreef: "In juni 1920 werd den haag opgeschrikt door het bekend worden van een groot zedenschandaal, zoo groot als in den haag nog nooit was voorgekomen. De politie had n.l. een inval gedaan in een particulier huis en daar een aantal personen betrapt op homosexueele handelingen met minderjarige jongens. [...] Tot de schuldigen behoorden een Ritmeester van de cavalerie, Sixma baron van Heemstra, Jaap Knoote, en last but not least... Prins Hendrik."

Nu is, volgens Van der Meer en Snijders, Wittert van Hoogland een uiterst onbetrouwbare getuige, die in zijn herinneringen fictie vaak tot feit verheft en die bovendien met uiterst vileine pen alles en iedereen (behalve zichzelf) fileert en daarbij voor zijn voormalige jachtvriend Prins Hendrik, met wie hij in 1917 onherstelbaar gebrouilleerd raakte, geen uitzondering maakte. Overigens is het ook weer niet helemaal onbegrijpelijk dat Arlman en Mulder de prins een rol toedichtten in het zedenschandaal, aangezien geruchten over de meer dan pedagogische belangstelling van de prins voor padvinders een langdurig en wijdverbreid bestaan kenden.

In 1919 bevatte De Nieuwe Amsterdammer bijvoorbeeld regelmatig insinuerende passages over hem. Bij de berichtgeving over een voorgenomen bezoek van Prins Hendrik aan Groningen waarschuwde dit tijdschrift onomwonden: "Groningers, houdt de Padvinders thuis."
Prins Hendrik mag dan geen rol spelen in het Haagse schandaal, voor de liefhebbers van de chronique scandaleuse van vorstenhuizen is er een kleine troost.

Bij het zedenschandaal waren wel degelijk mannen van prinselijke bloede betrokken, namelijk Prins Alex (Sascha) von Thurn und Taxis en Prins Emmanuel Rosetti Rasnovano. Beiden verschenen echter niet voor de rechtbank. Von Thurn und Taxis, wiens naam tijdens het onderzoek verschillende malen was opgedoken, had zich tijdens de arrestaties schuil gehouden en was vervolgens tijdig naar het buitenland uitgeweken. En Rasnovano, eerste secretaris van de Roemeense legatie, tegen wie in mei 1920 proces-verbaal werd opgemaakt wegens seks met een 15-jarige jongen, werd overgeplaats en ontkwam daardoor aan vervolging.

Abraham Bredius

Hieruit blijkt dat de wetshandhavers zich niet ontzagen ook hooggeplaatste personen bij hun onderzoek te betrekken.
Toch was het juist hun gefixeerdheid op een andere notabele die hen uiteindelijk dwarsboomde.
Ten tijde van het schandaal werd door de politie gepost bij het huis van Abraham Bredius, een beroemde kunsthistoricus, bij wie regelmatig gedeserteerde dienstplichtigen over de vloer zouden komen. Nu was van Bredius algemeen bekend dat hij homoseksueel was en een voorkeur voor huzaren had. Maar ook had men kunnen weten dat hij zich niet gemakkelijk liet intimideren, aangezien hij al in 1909 een proces had aangespannen - en gewonnen - tegen de auteur van een brochure waarin onomwonden van zijn erotische voorkeur melding werd gemaakt.

Toen dan ook op 25 mei zijn "pleegzoon" Jozef Kroning werd aangehouden en meegenomen naar het politiebureau, waar hij werd ondervraagd, liet Bredius dit niet op zich zitten, temeer daar dezelfde dag ook zijn jongste knecht, een 18-jarige jongen, door de politie was verhoord. Hierbij was hem ondermeer gevraagd of hij niet wist dat Bredius "een flikker" was en of die ontucht met hem had gepleegd. Ook waren de politiebeambten erg geïnteresseerd in de vraag of de jongen iets wist over militairen die zijn werkgever zouden bezoeken.

Twee dagen na deze incidenten richtte de advocaat Derk van Houten zich in een gepeperde brief tot de substituut-officier van justitie in Den Haag, mr. Enger. Hij tekende hierin bezwaar aan tegen de behandeling van zijn cliënt, Jozef Kroning, en plaatste vraagtekens bij de betrokkenheid van de militaire politie, in het bijzonder die van Van Rossem. Daarenboven bekritiseerde hij ook de gang van zaken meer in het algemeen: "De wyze waarop zelfs zeer jonge lieden uit de school en uit hun kantoren worden gehaald om inlichtingen te geven aan de Justitie, kan niet anders als de reputatie van velen, ook van die jonge lieden, schaden."

Onwettige methodes

Van Rossem werd ter verantwoording geroepen, waarbij hij natuurlijk ontkende dat er iets onwettigs was gebeurd, maar dat als er een onregelmatigheid had plaatsgevonden, die het gevolg was van de complexiteit van het onderzoek: "De taak der politie [...] is in deze subtiele zedenzaken uiterst zwaar, bovendien zijn er tallooze gevallen met honderden getuigen behandeld, zoodat allicht eens een kleine fout kan gemaakt zijn, maar het gaat niet aan om op deze wijze, naar aanleiding van een speciaal geval, zich baseerende op meerendeels onjuiste gegevens terstond zoo'n toon aan te slaan en in die mate den wensch te kennen te geven, dat die onderzoekingen getemperd moeten worden, tenzij andere - overigens alsdan doorzichtige motieven daaraan ten grondslag liggen."


Met deze laatste opmerking suggereert Van Rossem, niet eens subtiel, dat de toon van Van Houten's schrijven niet louter door juridische motieven was ingegeven.

Hij versterkte deze indruk nog door te stellen dat de officier van justitie, "evenals ik, dezen persoon niet de meest aangewezene zult achten om in deze zaken als objectief criticus op te treden."

Hij doelde hiermee nauwelijks verhuld op het feit dat Van Houten's zoon Sam een in Den Haag bekende homoseksueel was, die wellicht op tijd naar het buitenland was vertrokken.

Van Houten's brief kwam uiteindelijk echter wel op het ministerie terecht.

Van Houten was niet de enige die de gebruikte opsporingsmethoden ter discussie stelde. De voorman van de homoseksuele emancipatie in Nederland, jonkheer Schorer, meldde zich in persoon bij de Secretaris-generaal van het ministerie, Van Blom, die hij nog uit zijn studententijd te Leiden kende. Daaruit blijkt dat zelfs voor de homoseksuele zaak het old boys network soms zijn vruchten kan afwerpen, zeker als er ook nog een adelijke titel in het spel is. Iemand anders zou in ieder geval niet zo gemakkelijk belet bij een hoge ambtenaar hebben kunnen krijgen. In een brief aan een vriend meldde Schorer later dat hij aan Van Blom "alles [heeft] voorgedragen wat in staat kan zijn verdere vervolgingen te staken."

Het is natuurlijk niet na te gaan of de argumenten over "onwettige methodes" van Van Houten en Schorer de top van het ministerie hebben overtuigd, maar feit is wel dat hun interventies het gewenste effect hebben gehad en dat Van Rossem op tamelijk brute wijze naar de zijlijn werd gedirigeerd. Welke overwegingen hieraan ten grondslag hebben gelegen zal nooit kunnen worden opgehelderd, maar Van der Meer en Snijders veronderstellen dat Van Rossem's "kennelijke pogingen Bredius aan te pakken [...] ook het ministerie als gewaagd [moeten] zijn voorgekomen: het zou een doos van Pandorra hebben kunnen openen en tal van hooggeplaatste vaderlanders in de problemen hebben kunnen brengen."

Overigens was Bredius' "pleegzoon" Jozef Kroning als in augustus 1920 naar Florence vertrokken en vestigde Bredius zelf zich in 1922 in Monaco. Hieruit kan blijken dat zo'n zedenschandaal ook op degenen die de dans ontsprongen een bepalende invloed had. Wat de impact is geweest voor de veroordeelden kunnen we alleen maar vermoeden.

Pro Memorie IV/2 verscheen bij uitgeverij Verloren en kost E 16,00. Bestellingen via bestel@verloren.nl



 
Commentaar:
Re: Zedenschandaal


Reactie van Blaftak Prefnum dd. 26 januari 2007
buitensporig intressant!!!
naar wij dachten.


Reactie van J.J.Th. Desmet dd. 04 september 2012
De moraal van de pers is tot op de dag van vandaag niet veranderd. Zonder enige aanleiding noch bewijs beschimpt de pers wijlen Prins Hendrik, zoals in 1919 de Nieuwe Amsterdammer berichtte middels een artikel over een voorgenomen bezoek van Prins Hendrik aan Groningen waarschuwde dit tijdschrift onomwonden: "Groningers, houdt de Padvinders thuis."
De pers dacht toen en meent nog dat zij dit soort berichten naar believen kan publiceren, vooral als zij weten dat zij hierop niet worden afgerekend. Integer noemt deze beroepsgroep zichzelf, maar het staat vast dat eenieder die, op welke wijze dan ook, de pers vertegenwoordigt over een uiterste shabby moraal moet beschikken. Het is algemeen bekend dat dit soort lieden over leugenachtige, bedriegelijke en perverse instellingen moet beschikken, anders is het eenvoudigweg niet mogelijk zo een "beroep" uit te oefenen.









GERELATEERDMEER VAN HANS HAFKAMP

Zedenschandaal

Hans Hafkamp, in Historie & Politiek op 19 mei 2019
Reageren? Jouw reactie:

Je naam:
Email (wordt niet getoond):
min. 15 karakters, geen links of html svp














Rubrieken:








In het nieuwste nummer, Gay News 331, maart 2019














Meer uit Historie & Politiek
Meer uit nummer 152
Meer van Hans Hafkamp





Duble


The best Mediterranean in town

meer info |visit















bottom image




Entire © & ® 1995/2019 Gay International Press & Stichting G Media, Amsterdam. All rights reserved.
Gay News ® is een geregistreerde merknaam. © artikelen Gay News; duplicatie niet toegestaan. Opname uitsluitend na schriftelijke toestemming van uitgever, met verplichte bronvermelding gaynews.nl. Door derden overgenomen artikelen worden in rekening gebracht, en zo nodig geincasseerd. Gay News ISSN: 2214-7640, ISBN 8717953072009. Gay News op Wikipedia.
Volg Gay News:
Twitter Issuu
RSS RSS Editors
zelfstandige Escortboys

CMI
Neem contact op
Abonneren
Adverteren






© 1995/2019 Gay News ®, GIP/ St. G Media