Back to Top
Woensdag 15 Aug
86185 users - nu online: 1089 people
86185 users - nu online: 1089 people login
VAN ONZE EDITORS
Printervriendelijke Pagina  
Op zoek naar homoseksualiteit en verzet, Deel 2


door Judith Schuyf in Historie & Politiek , 07 augustus 2018

This article is also available in English


In alle overgeleverde materialen over de Stijkelgroep vinden we verder niets over homoseksualiteit, ja, zelfs nauwelijks iets over een persoonlijk leven. Schorer was extreem voorzichtig en discreet in het noemen van namen van andere homoseksuelen. Homoseksualiteit was een gegeven dat je maar beter geheim kon houden.

De strijd’ een spotprent door Leslie Illingworth, 1940
Hij verwijst wel naar andere leden van de Stijkelgroep die “zo” waren, maar wij moeten er naar raden. Opnieuw weten we niets.

Maar dat knaagt, in ieder geval aan mij. Mijn zoektocht naar meer persoonlijke informatie leverde echter weinig op. Het is te lang geleden, ook de direct betrokken familieleden zijn overleden. Een aantal oudere leden van de groep liet nabestaanden achter – echtgenotes en kinderen. Maar zijn we in dit geval niet eerder op zoek naar de ongehuwden? Van alle leden van de groep zijn pasfoto’s bekend. Ik moet eerlijk bekennen dat ik daar met meer dan gewone belangstelling naar gekeken heb, vanuit de zeer onwetenschappelijke gedachte om mijn gaydar te laten werken. De zestien ongehuwden waren voor het merendeel jonge studenten.

Ontembare jongen

Zo ben ik zoek geweest naar de beide naaste medewerkers van Stijkel, Kees Gude en Jean Chrétien Baud. Zij waren in 1940 respectievelijk vierentintig en eenentwintig jaar oud. Kees Gude en Tièn Baud kenden elkaar mogelijk uit de mobilisatietijd, toen ze beiden als militair in Soestduinen gelegerd waren. Gude, student aan de TH, had zich vervolgens als tweede luitenant bij de artillerie onderscheiden bij de slag om de Grebbeberg. Jhr. Jean Chrétien Baud kwam uit een adellijke familie die al generaties de Nederlandse staat en het hof diende – zijn overgrootvader was gouverneur-generaal van Nederlands-Indië geweest en zijn vader was kamerheer, later particulier secretaris van prinses Juliana.


Deze zat lange tijd als prominent in gijzeling. De jonge Tièn was, zo blijkt uit brieven van zijn ouders, een wat lastige en “ontembare” jongen die gedreven werd door sterke rechtvaardigheidsgevoelens. Dat bracht hem als kind nog wel eens in problemen. Hij werd zelfs enige tijd uit huis geplaatst bij een Haagse inspectrice van de kinderpolitie, Tine van Deth, een van de kernleden van het Haagse netwerk. Bij haar lijkt de jongen zich erg thuis te hebben gevoeld. In de familie was verder niets bekend over een seksuele voorkeur. Zoals zovele jongens uit zijn milieu zocht hij naar een manier om zich nuttig te maken.

Brieven van Han Stijkel
Oudere ongehuwden waren er ook. Eén van hen was Dick de Vries. De Vries was medewerker bij Fokker in Koog aan de Zaan, had volgens eigen zeggen aan het gewapend verzet deelgenomen en had Stijkel voorzien van allerlei plattegronden van havens en militaire objecten in Noord-Holland en bouwtekeningen van vliegtuigen. Na zijn arrestatie zat hij in het Oranjehotel gedurende vier maanden in een cel met Jan Kalff, de burgemeester van Krommenie. Deze kon na de oorlog verslag uitbrengen aan de familie van De Vries. Als ik dat verslag ga tegenlezen op tekenen van anders-zijn zitten er verschillende belangwekkende passages in.

Alleen al de eerste ontmoeting: “De zeer kalme figuur die daar de cel binnentrad, was gekleed in een ruige blauwe zeilbroek, gestoken in hoge laarzen alsmede een prachtig gebreide witte jas, versierd met donkerbruine rendierfiguren, welke jas of jumper over het blote bovenlichaam gedragen werd. In de handen droeg hij een keurig stapeltje boeken en ondergoed en een aktetas met toiletartikelen.”

Zonder terughouding

Dedenherdenking op het HomomonumentIn die maanden voerden ze eindeloze gesprekken “zonder terughouding” over alle mogelijke onderwerpen. “Ons interessantste gesprek ging over de liefde; hij had mij namelijk uitvoerig van zijn engagement verteld en daarbij gezegd dat wanneer hij ooit trouwde hij ‘daarvan toch beter moest worden’. Deze wel zeer eigenaardige opvatting, waarvan ik hem graag af wilde brengen, deed ons gesprek ontstaan dat hier moeilijk weer te geven is. Ik heb hem daarin gezegd dat hij wérkelijk liefde in het leven lerende kennen, deze idee onmiddellijk overboord zou gooien, daar hij liefhebbende de behoefte zou krijgen het voorwerp van zijn liefde te geven: geven in materiële zin, maar meer nog aan zorg, hartelijkheid en toewijding. Hij begreep dit ook wel en wilde het zeker inzien; het was zeker het beste gesprek wat wij hadden, en hij zei: ‘Met mijn moeder zelfs heb ik nauwelijks ooit zo’n intiem gesprek gehad.’

Ruzie hadden wij ook, de eerlijkheid gebiedt het te zeggen. Maar zelden en kort en maar over één onderwerp. Ik ben netjes. Dick is netjes, maar Dick was in de cel ‘afgrijselijk’ netjes en hij vond mij maar een slordig mannetje. Dick stapelde zijn bezittingen steeds keurig haaks op, vouwde zijn kleren vóór het naar bed gaan zó op, alsof zij net uit de linnenkast kwamen, Dick dweilde en veegde de vloer tot die steriel was en morste ik daarop bij het handenwassen een paar druppels schoon water, dan huppelde hij met een dweil achter mij aan om die op te vegen. Dat leverde nu en dan wrijving op, maar zoals gezegd: niet ernstig.”

Vier geboeide mannen op het Nationaal Monument op de Dam te Amsterdam
Daarmee moeten we het doen. Meer is er niet te vinden. Schorer’s vriend en maat Jaap van Leeuwen leerde in mei 1940 het adressenbestand van het tijdschrift Levensrecht uit het hoofd en vernietigde het laatste, nog niet verspreide nummer. Na de oorlog schreef hij de namen uit het hoofd weer op; mogelijk aangevuld met de namen van mensen die hij sindsdien had leren kennen. Namen van personen die de oorlog niet overleefd hadden kregen een “t” of een kruisje ervoor. Geen enkele naam uit de Stijkelgroep komt voor op deze lijsten.

Herinnering aan het verzet na de oorlog

Het ging na de oorlog én wel en tegelijk ook weer niet over verzet. De wederopbouw van het verscheurde land vereiste het suggereren van een eenheid die er eigenlijk in de oorlog al niet was en na de oorlog al helemaal niet. Het verzet werd in de eerste jaren na de oorlog als een bijna abstract collectief neergezet. Individuen ontbraken daarin, geholpen door het feit dat degenen die actief in het verzet waren geweest en het hadden overleefd er niet over spraken en degenen die het niet overleefd hadden er natuurlijk niet meer over konden spreken. Pas vanaf de jaren tachtig ging het ineens over individuen die dan ook nog veelal als slachtoffer werden gezien. Bovendien werd snel duidelijk dat alleen het verzet van bepaalde groepen maar geschikt werd geacht om te herdenken. Het communistisch verzet bijvoorbeeld niet.

Cellengang in het OranjehotelDe Stijkelgroep paste uitstekend in dit frame. Het was een diverse groep, iedereen zat er in, mannen en vrouwen, jong, oud, verschillende maatschappelijke niveaus en zelfs religies. De vraag is wat er gebeurd zou zijn als men had geweten van de homoseksualiteit van verschillende leden, en Stijkel was dan ook nog vrijmetselaar. Maar dat was niet bekend.

Mede door de inspanningen van Wim Wagenaar, vader van een van de gefusilleerden, die dankzij zijn maatschappelijke positie behoorlijk wat pressie kon zetten, werden de stoffelijke overschotten van de meeste in Duitsland overleden leden van de Stijkelgroep gevonden en gerepatrieerd, zelf met inspanning en op kosten van de Nederlandse regering, die zich daar aanvankelijk niet voor wilde inzetten, bang voor de kosten. De gemeente Den Haag, die graag een verzetsmonument wilde hebben, stelde grond ter beschikking. In juli 1947 werden de stoffelijke overschotten met volle militaire eer na een dienst in de Jacobskerk en een tocht door het centrum van Den Haag bijgezet op de begraafplaats Westduin, waar nog steeds een monument de herinnering levend houdt.

Jaap van Leeuwen, verzetsstrijder en mede-oprichter van het C.O.C.Ook de homo-emancipatiebeweging - het vroege COC - gaf aanvankelijk weinig aandacht aan het homoseksueel verzet in de oorlog. Er werd “op bescheiden wijze” in het tijdschrift Vriendschap aandacht aan de oorlog besteed, maar dan ging het vooral over de positie van homoseksuelen in Duitsland. Wellicht kwam het te dichtbij: de oprichters van het COC, Niek Engelschman en Jaap van Leeuwen hadden ook in het verzet gezeten.

Van Leeuwen had zelfs acht maanden in het Huis van Bewaring in Amsterdam gezeten omdat hij via zijn huisgenoot Arie Addicks betrokken was geraakt bij de verspreiding van het illegale Parool. Addicks, die nogal een wilde jongen was, schoot bij zijn arrestatie op een Duitser en kreeg kort daarop de doodstraf. Van Leeuwen heeft geluk gehad en werd vrijgelaten, al moest hij later opnieuw onderduiken.

Waarom?

Ik kom terug op mijn beginvraag: waarom? Waarom verzet en waarom willen wij dit weten?
 
Een deel van het antwoord vinden we in de korte biografie van Willem Arondéus die senator Gerry E. Studds liet opnemen in de Congressional Records. Hij zegt zich er van bewust te zijn dat iemand als Arondéus gemakkelijk uit de collectieve herinnering kan verdwijnen, omdat hij vanwege zijn homoseksualiteit geen kinderen had om hem te gedenken. “Wij zijn hun familie en zullen hen nooit vergeten.”

De overgrote meerderheid van de geschiedenissen van de Tweede Wereldoorlog in Nederland heeft een mannelijke hoofdpersoon, wiens heteroseksualiteit als een zo vanzelfsprekend gegeven wordt gezien, dat het niet eens de moeite van het vermelden waard is. Echte Mannen waren het, en echte mannen hebben geen gevoelens, maar verrichten vooral Daden. Net als alle verhalen hebben verhalen van verzet een vast stramien, dat weinig tot geen ruimte voor afwijkingen overlaat. Er is weinig ruimte voor gevoelens van angst, van twijfel, van onzekerheid. Ze zijn strikt gecodeerd voor avontuur en handeling. Ik hoopte in dit onderzoek dat stramien te kunnen doorbreken, maar het stramien bleek buitengemeen taai. De bronnen gaan wat dit betreft niet een stapje opzij om aan onze wensen te voldoen.

Herdenkingsmonument voor de StijkelgroepStijkelgroep met kruisen voor de omgebrachte leden, Den Haag
Zo blijft de relatie tussen seksuele voorkeur en de oorlog – of mensen nu als slachtoffers of als helden worden neergezet - buitengemeen stroef en lastig. Het is kennelijk een onderwerp dat schuurt, ook nu nog. Ik geef twee voorbeelden:

a. Regelmatig lees ik een bijna onbetamelijke opluchting als uit onderzoek blijkt dat er geen systematische homovervolging in Nederland in de Tweede Wereldoorlog heeft plaatsgevonden. Al in de jaren zeventig en tachtig, in de aanloop van de discussie rond de wet uitkering vervolgingsslachtoffers en de boeken van Loe de Jong, zie ik weerzin van de kant van de overheid en haar instanties om zelfs maar na te denken over deze vraag. “Waarom willen jullie zo graag vervolgd zijn?,” vroeg NIOD-directeur Paape aan onderzoekers Pieter Koenders en Harry Oosterhuis.

Marjan van der Klein suggereerde in haar nooit gepubliceerde eindartikel voor de TTW dat de wortels van dat ongemak juist in de strijd liggen, die gevoerd werd om erkenning van het slachtofferschap van homoseksuelen in de Tweede Wereldoorlog. Wie in Nederland wil meedoen dient zich een plaats te verwerven in het spreken over en de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. De homoseksuelen zagen grote verwantschap tussen het oorlogstrauma als onderdrukte, pijnlijke ervaring met hun eigen geschiedenis, die ook als illegaliteit (bij de heersende strafbaarstelling) was beleefd. Juist die relatie werd hen ontnomen.

De dissertatie van Koenders, Tussen christelijk réveil en seksuele revolutie: Bestrijding van zedeloosheid, met de nadruk op repressie van homoseksualiteit - 1996 al weer - maakte echter duidelijk dat er wel degelijk wat aan de hand was geweest. Koenders somde enkele honderden gevallen op van mannen die rond homoseksualiteit gedurende de oorlog op de een of andere wijze in de problemen waren gekomen. De Duitse bezetter voerde een groot aantal maatregelen in - analoog aan wat in Duitsland zelf was gebeurd - ten einde homoseksualiteit en de homobeweging te vernietigen dan wel te onderdrukken.

Alleen de laatste fase, de systematische vervolging, ontbrak. Die conclusies lijken inmiddels in het niets verdwenen. Er klinkt mij iets te veel opluchting in door. Gelukkig, niets aan de hand, jullie zeuren, we hoeven er niet meer over na te denken, iedereen hetero en we gaan weer over tot de orde van de dag.

Canadese troepen passeren in april 1945 een windmolenb. Het ongemak dat sommige biografen hebben met de persoonlijke levens van met name verzetsvrouwen. Uit de biografie van Marie Anne Tellegen is duidelijk dat ze belangrijke relaties met mannen én met vrouwen had, dat ze zich in haar studietijd graag als jongen verkleedde, en wellicht belangstelling had voor SM. Haar biograaf Wim Weenink schenkt daar echter geen aandacht aan. “Hij zet een vrouw neer die onvindbaar blijkt,” vond de recensente Erna van Koeven. In een aantal levensgeschiedenissen is duidelijk dat de betrokken vrouwen veelal een vrouwelijke significante andere hadden, die veelal in het verhaal wordt weggezet ten koste van vage heteroseksuele verliefdheden, die meestal evenmin te bewijzen zijn.
Ik heb dat ongemak zelf ervaren toen ik over vrouwen in het verzet ging schrijven.

Waarom moest ik zo nodig over vrouwen, die zich nimmer hadden geuit over hun persoonlijk leven, laat staan seksuele voorkeur, schrijven? Vrouwen spreken nu eenmaal weinig over seksualiteit en seksuele voorkeur. Al in de jaren tachtig van de vorige eeuw waren er onder historici – en feministische historici – discussies over wat nu precies een lesbische vrouw was en hoe je die in het verleden kon aantonen, indiceren. Deze discussie blijkt kennelijk geheel aan de mainstream historici voorbij te zijn gegaan. Die willen overduidelijk bewijs van gelijkgeslachtelijke genitale activiteit – zo niet, word je weer rustgevend onder de hetero’s ingedeeld. “Does it matter if they did it?” “All it needs to be a lesbian, is a woman and a book”. Voor mij is de gerichtheid op vrouwen, het feit dat de significante anderen in het leven vrouwen zijn, een belangrijk argument om deze vrouwen in te delen bij een niet-heteroseksuele categorie.

Willem Arondéus te midden van twee Urker vissers (jaren 30)Uiteindelijk waren het persoonlijke leven en de persoonlijke overtuiging cruciaal bij de beslissing om in verzet te komen. In een boek met biografieën over homoseksualiteit en verzet noemde ik dat Het begint met nee zeggen. Bij Arondéus had dat nee zeggen duidelijk te maken met zijn homoseksualiteit. Bij anderen, zoals Stijkel, ging het om het gevoel te doen wat hij meende te moeten doen - al was zijn eerste verzetsdaad het beschermen van mede-homoseksuelen. Een godsdienstig geïnspireerde opdracht, vaderlandsliefde, de plicht als militair, en misschien wel een mix van dit alles.

Die beslissing zal veelgelaagd zijn. Politieke en levensbeschouwelijke overtuiging, opvattingen over sekse maar ook ervaringen hoe het is om te leven als seksuele minderheid zullen in wisselende samenstelling een rol hebben gespeeld.

Ik eindig met een gedicht van Remco Campert – wiens vader omkwam in Neuengamme:

Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden
zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in zijn kop krijgt
zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud
zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die een sigaret aansteekt
zoals liefde met een blik
een aanraking iets dat je opvalt in een stem
jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet
en dan die vraag aan een ander stellen


    Judith Schuyf is historicus en archeoloog. Ze werkte ruim 20 jaar aan de Universiteit Utrecht, waar ze een van de oprichters van de werkgroep Homostudies was. Ze is tevens bestuurslid van IHLIA/ LGBT Heritage. Zie ook www.judithschuyf.nl.  In het kader van de tentoonstelling Explosiegevaar! in het Verzetsmuseum hield Judith Schuyf eerder dit jaar een lezing die Gay News in twee delen publiceert, dit is deel 2.



 









Rubrieken:





Roddel Nieuws


Iconische Amsterdamse winkel Mister B verandert van locatie


Out & About: Nederland festivalland!


Ondanks verbod toch Pride-betoging in Istanboel


Dolly’s flamboyante statement tegen geweld

    toon meer





In het nieuwste nummer, Gay News 324, augustus 2018














Meer uit Historie & Politiek
Meer uit nummer 323
Meer van Judith Schuyf





Black Body


Fetish wear for men

meer info |visit


A. van Ostade Bed & Breakfast


Rooms with all the comfort you may need.

meer info |visit















bottom image




Entire © & ® 1995/2018 Gay International Press & Stichting G Media, Amsterdam. All rights reserved.
Gay News ® is een geregistreerde merknaam. © artikelen Gay News; duplicatie niet toegestaan. Opname uitsluitend na schriftelijke toestemming van uitgever, met verplichte bronvermelding gaynews.nl. Door derden overgenomen artikelen worden in rekening gebracht, en zo nodig geincasseerd. Gay News ISSN: 2214-7640, ISBN 8717953072009. Gay News op Wikipedia.
Volg Gay News:
Twitter Issuu
RSS RSS Editors
zelfstandige Escortboys

CMI
Neem contact op
Abonneren
Adverteren






© 1995/2018 Gay News ®, GIP/ St. G Media