Back to Top
Zaterdag 19 Oct
86366 users - nu online: 1167 people
86366 users - nu online: 1167 people login
VAN ONZE EDITORS
Share:







lengte: 10 min. Printervriendelijke Pagina  
Het Homomonument, veel méér dan een vlam voor de onbekende homo


door Hans Hafkamp in Historie & Politiek , 26 september 2003

This article is also available in English
lengte: 10 minuten


Aan de vooravond van Amsterdam Pride, op woensdag 30 juli, werd het totaal gerenoveerde Homomonument opnieuw in gebruik genomen. Deze plechtigheid werd verricht door Anne Lize van der Stoel, voorzitter van het stadsdeel Centrum. Haar huidige functie is echter niet de enige reden waarom Van der Stoel bij uitstek geschikt was deze ceremonie te voltrekken. Van 1981 tot de ingebruikneming van het gedenkteken op 5 september 1987 was zij name-lijk voorzitter van de Stichting Homomonument en zij heeft dus een belangrijke rol gespeeld bij de realisering van de drie roze driehoeken onder de oude Wester.

Ter gelegenheid van de ingebruikneming van het Homomonument verscheen het boek Het Homomonument, geschreven door Pieter Koenders. Dit boek raakte tamelijk snel uitverkocht en sindsdien was er eigenlijk geen studie over het monument beschikbaar. Wie wat wilde weten over de geschiedenis en de betekenis van het Homomonument was aangewezen op zeer beknopte foldertjes. Aan deze situatie is nu een eind gekomen met de verschijning van Dansen op het Homomonument door Thijs Bartels, dat bij de "heropening" werd gepresenteerd.





Evenals het monument zelf bestaat dit boek uit drie delen, waarin Bartels achtereenvolgens verleden, heden en toekomst van het gedenkteken behandelt.
Het initiatief kwam in 1979 van Bob van Schijndel, toentertijd lid van de PSP-homogroep. Het jaar daarvoor was op het Museumplein een monument onthuld ter herinnering aan de door de Nazi's uitgeroeide zigeuners. In het toenmalige COC-blad Sek werd een vergelijking gemaakt tussen de genegeerde geschiede-nis van de zigeunervervolging en de eveneens genegeerde geschiedenis van de homovervolging. Sek schreef toen enigszins cryptisch: "Maar in ieder geval zullen wij niet vergeten en zal de homostrijd een levend monument van homo-onderdrukking zijn."

Of Van Schijndel een vooruitziende blik had en er, terecht, vanuit ging dat een monument dat uitsluitend in gedachten bestaat waarschijnlijk tamelijk snel zou vergaan, zullen we niet weten, maar in ieder geval schreef hij in de lente van 1979 aan zijn companen binnen de PSP-homogroep: "Ik kreeg gisternacht het volgende idee. We moeten in een open brief aan burg. Polak vragen om in navolging van het monument voor Zigeuners die in konsentratiekampen zijn vermoord een monument voor homoslachtoffers op het Leidseplein of in het Vondelpark op te richten. Zulks om de herdenking van de 200.000 vermoorde homoos levend te houden in een tijd waarin nog steeds homoos ten slachtoffer vallen aan fascistische regimes in Zuid-Amerika en veroordelingsgeluiden uit konservatief-konfesionele hoek in Nederland."

Vervolging

Het moment van Van Schijndel's nachtelijke ingeving was niet geheel willekeurig. In de jaren zeventig werden homo's niet alleen steeds zichtbaarder in het straatbeeld, maar ook in de geschiedschrijving, met name die over de Tweede Wereldoorlog. In de eerste decennia na de oorlog werd vooral aandacht be-steed aan de helden die in de strijd voor de vrijheid van het vaderland waren gesneuveld. Pas later werden ook de slachtoffers van het Nazi-regime onderwerp van studie, waarbij aanvankelijk vooral de jodenvervolging centraal stond.

In 1965 publiceerde Jacques Presser zijn met grote persoonlijke betrokkenheid geschreven Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945. Het zou nog weer een tiental jaren duren voordat ook de vervolging van homo's serieus aandacht kreeg. Natuurlijk be-stond bij vele betrokkenen wel degelijk het besef dat de Duitse overheersing een zwarte bladzijde in de homogeschiedenis was. Reeds in de zomer van 1940 vaardigde Arthur Seyss In-quart, de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied, een verordening uit "ter bestrijding van de tegennatuurlijke ontucht", waarvan het eerste artikel luidde: "Een man die met een andere man ontucht pleegt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren."





Dit was duidelijk een verslechtering ten opzichte van de vooroorlogse situatie, waarin homoseksuele handelingen op zich al sinds 1811 niet meer strafbaar waren. Deze wettelijke immuniteit hield echter niet in dat homo's een ongebreidelde homoseksuele levensstijl konden konden najagen. Ten eerste was er sinds 1911 een discriminerende leeftijdsgrens voor homoseksueel contact, waarmee de wetgever maar al te duidelijk maakte dat homoseks bepaald niet normaal was.

De deur voor chantagepraktijken was daarmee wijd open gezet. Maar vooral was de maatschappelijke acceptatie van homoseksualiteit nagenoeg nihil. Vele homo's moesten hun ware aard achter een masker verstoppen en in het verborgene leven. De dappere mannen die zich kort na de oorlog gingen inzetten voor de homo-emancipatie deden dat dan ook onder pseudoniem. Deze mannen vooral ook waren zich bewust van de maatregelen die de Duitsers tegen hun lotgenoten hadden genomen.

Reeds in 1946 stelde een zich Corydon noemende schrijver in het homo-blad Levensrecht: "Wanneer de juiste gegevens omtrent deze kampen en het aantal homosexuelen dat vernietigd werd, nog steeds niet bekend zijn, dan komt dat slechts omdat niemand het ooit voor hen durfde opnemen, omdat velen, ook in de geallieerde landen, dit optreden in hun hart niet afgekeurd hebben."

Drie jaar later uitte Niek Engelschman, schrijvende onder het pseudoniem Bob Angelo, zich in Vriendschap (het orgaan van het COC en de opvolger van Levensrecht) minder omwonden: "Ja, men zou geneigd zijn te veronderstellen, dat men van mening is, dat de nazibandieten de mensheid een weldaad hebben bewezen door deze massale vernietiging." In mei 1950 drukte Vriendschap op het omslag de tekst af: "Aan onze doden, gebrandmerkt met de 'lila driehoek' en omgekomen in de martelkampen tussen '40-'45, wier offer in onze harten onvergetelijk blijve..."





In Dansen op het Homomonument behandelt Bartels beknopt de geschiedenis van de homovervolging door de Nazi's en vooral hoe die langzaam ook een plaats kreeg in de geschiedschrijving. Hij stuit hierbij op een paradox die wel vaker in de homogeschiedenis opduikt, namelijk het verschil dat bestaat tussen de kennis van de mensen die zich actief voor gelijke behandeling inzetten en de ervaringen van de doorsneehomo, die zich aan de omstandigheden van de tijd aanpast: "de verduistering van de huizen vergrootte de mogelijkheden voor homoseksueel contact. 'Het was dringen bij de pisbakken,' vertelden sommige homoseksuelen na de oorlog. Een deel van hen zegt zelfs niet geweten te hebben dat tijdens de bezetting homoseksualiteit verboden was. En volgens socioloog Hekma kwamen er in Amsterdam tijdens de oorlogsjaren opmerkelijk genoeg juist homokroegen bij," aldus Bartels.

De eerste dromen over een monument voor homoseksuele oorlogs-slachtoffers bloeiden dan ook op in de hoek van de georganiseerde homobeweging. In 1961 opperde Jef Last, die in Vriendschap schreef onder de schuilnaam Ohira, voor het eerst het idee voor een "monument voor de onbekende homo": "Niemand weet hoevelen het waren, geen enkele statistiek vermeldt hoevelen van hen in die kampen zijn doodgeranseld of uitgehongerd of op andere wijze bezweken. Voor onbekende homophielen brandt geen vlam."

Het zou nog een kleine twintig jaar duren voor deze dromen daadwerkelijk in daden werden omgezet. Het idee van Van Schijndel bleef namelijk geen hersenspinsel van een idealis-tische politicus, maar leidde tot voortvarende actie. Op 2 mei 1979 riep de PSP-homogroep de gemeenteraad op een plaats aan te wijzen voor een homomonument. Dit voorstel werd niet met een grote zwaai van tafel geveegd, maar in behandeling genomen. Dat wil niet zeggen dat er geen bezwaren tegen bestonden. Sommigen vonden bijvoorbeeld dat een nationale herdenking prioriteit had en dat er niet op allerlei plaatsen in de stad monumenten voor afzonderlijke groepen oorlogsslachtoffers moesten komen.

Het zaadje dat Van Schijndel had geplant groeide echter tegen deze verdrukking in. Er werd een Stich-ting opgericht, er werd een prijsvraag uitgeschreven en een jury samengesteld, die ervoor moest waken dat het monument een levend monument zou worden, en vooral geen "zieligheid op een sokkeltje". In 1981 kon reeds het bekroonde ontwerp van Karin Daan aan de pers worden gepresenteerd.

Symbool

Bij Bob van Schijndel stond, evenals bij de vroegere dromers over een homomonument uit COC-kring, vooral de herdenking van de homovervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog centraal. Al spoedig gingen anderen hun eigen invulling aan de betekenis van het monument geven. Reeds kort na de eerste plannen vroeg het travestieduo Juffrouw Sonika en Tante Gré (Sándor Góra en René Coenradie): "Heeft u even een momentje voor het Homomo-numentje." In dit lied wijzen ze niet alleen op de onderdrukking door de anderen, maar ook op die in eigen kring: "In het wereldje blijft flikkerij nog een taak: / homofielen slaan flikkers te vaak op hun kaak. / Dus de boodschap van ons monument is dan: stop / met die zelfonderdrukking in jouw eigen kop."

Ook binnen de Stichting Homomonument ontstond de opvatting dat de betekenis van het monument veel verder kon rijken dan alleen de herinnering aan het leed van de oorlog. In een interview met Homologie zei bestuurslid Martien Diemer in 1985 over het ontwerp: "Als je midden in het monument zou staan, zou je niet zien wat het precies voorstelt. Pas op enige afstand wordt het grote verband, de drie roze driehoeken, zichtbaar. Wat dat betreft is het een prachtig symbool van de positie van homoseksuelen in deze maatschappij. Als je bijvoorbeeld aan politiemensen vraagt of er ook homo's binnen hun geledingen te vinden zijn, zullen ze dat ontkennen, terwijl ze er, bij wijze van spreken, iedere dag mee omgaan zonder het te beseffen."

Toen dit interview in Homologie verscheen, was het monument nog steeds niet gerealiseerd. Want de start mocht dan voortvarend zijn geweest, de financiering bleek heel wat meer voeten in de aarde te hebben.

Weliswaar waren er verschillende subsidies toegezegd, maar die bleken niet voldoende om het ontwerp te betalen. Ook waren er door particulieren giften gedaan.

In het Homologie-interview vroeg Stephan Sanders Diemer dan ook verantwoording over dit geld, dat "afkomstig [is] van nichten en potten die - dramatisch gezegd - hun laatste spaarcenten hebben gegeven voor hun monument."


Diemer toonde zich ten volle bewust van de betrokkenheid die juist deze gevers bij het monument toonden: "Vaak gaat het om mensen, afkomstig uit verscholen dorpjes in Friesland en Groningen, die op die manier uiting hebben willen geven aan het belang dat zij aan een dergelijk monument hechten."

Uit deze opmerking blijkt dat het monument niet uitsluitend als een Amsterdamse aangelegenheid werd beschouwd, maar dat de uitstraling al voor de realisering landelijk was. Later zou het Homomonument zelfs internationaal als een belangrijke mijlpaal in de homogeschiedenis worden bijgezet. In zijn studie Pictures and Pas-sions. A History of Homosexuality in the Visual Arts schreef James M. Saslow in 1999 bijvoorbeeld: "De na-oorlogse reputatie van Nederland als meest tolerante Westerse land bevestigend, was Amsterdam de eerste stad die een Homomonument oprichtte, in 1987 ontworpen door de Nederlandse kunstenaar Karin Daan."

Helaas is dit laatste gegeven niet correct, want het ontwerp van Daan was dus al een paar jaar ouder. Maar uiteindelijk waren de financiële problemen overwonnen en kon het monument daadwerkelijk worden gebouwd. Nog steeds waren er stemmen te horen die ontevreden waren over het ontwerp, dat in de woorden van de toenmalige burgemeester Van Thijn "zo monumentaal [zal] zijn dat niemand er omheen kan", of zelfs over het initiatief voor het homomonument als zodanig. De voormalige minister van buitenlandse zaken Joseph Luns, liet zich in het diepst van zijn zwartroomse ziel kijken, toen hij zich liet ontvallen: "Je gaat toch ook geen monument voor kleptomanen oprichten."

In De Telegraaf meende de schrijver van een ingezonden brief: "Eindelijk is het er dan toch van gekomen: het Homomonument is onthuld. Het enige ter wereld nog wel. Het wachten is nu nog op een monument voor travestieten. Pas dan is het gekkenhuis compleet." Een paar dagen later werd deze "bekrompen geest" door een andere briefschrijver tot de orde geroepen: "Dit monument zou niet eens nodig geweest zijn, als er geen mensen zoals briefschrijver W.P.v.D. zouden bestaan, die door hun mentaliteit de oorzaak zijn van zoveel verdriet en moeilijkheden van homo's."

Een levend monument

Uit het boekje van Bartels blijkt dat de homo's toen het Homomonument eenmaal een feit was, zich niets meer aan dit soort recalcitrante stemmen gelegen hebben laten liggen. Het monument werd met liefde omarmd en heeft zich een onuitwisbare plaats veroverd in het huidige Amsterdamse homoleven. Het is tot een levend monument uitgegroeid, waar wordt gefeest en herdacht, geflirt en gerouwd.

Dansen op het Homomonument is een boekje dat vooral geschreven lijkt met het oog op toeristen die het Homomonument bezoeken. Maar het zou nog een heel ander doel kunnen dienen. Bartels citeert op een gegeven ogenblik Bob van Schijndel, die opmerkt: "De betekenis van de driehoeken moet je tegenwoordig echter uitleggen, het is niet meer het trotse symbool van de homo's, zoals het dat toen, in de jaren zeventig en tachtig was."

Elders in dit nummer van Gay News zegt Anne Lize van der Stoel: "Als je ziet hoe de jongere homogeneratie zich met veel gemak door het leven beweegt, alsof homoseksualiteit altijd alleen maar op acceptatie heeft kunnen rekenen, dan kun je je afvragen of wij als oudere generatie er wel goed genoeg in zijn geslaagd over te brengen dat voor al die vrijheid een lange strijd is gestreden." In een van de hoogste klassen van de lagere school kreeg ik ooit een boekje uitgereikt, Waarom de tram twee minuten stil stond, waarin kort de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog uit de doeken werd gedaan.

Misschien wordt het tijd dat iemand eens fondsen vrijmaakt om Dansen op het Homomonument uit te delen aan alle leerlingen van het (Am-sterdams) voortgezet onderwijs, zodat ze - homo of hetero - weten dat de geschiedenis van homo's niet altijd heeft bestaan uit het op een uitbundig versierde boot spelevaren door de Amsterdamse grachten.

Thijs Bartels, Dansen op het Homomonument. Amsterdam, Schorer-boeken, 2003, 128 blz., E 7.95



Commentaar:
Re: Het Homomonument, veel méér dan een vlam voor de onbekende homo-


Reactie van Wim van Ingen, Ham, België dd. 05 januari 2010
Wat ik gaarne zou vernemen is waarom het monument na zo'n korte periode als gerestaureerd diende te worden en wie het monument de eerste keer in gebruik heeft gesteld.

Een monument dat bijna 40 jaar te laat kwam !










GERELATEERDMEER VAN HANS HAFKAMPMEEST GELEZEN VAN HANS HAFKAMP

Het Homomonument, veel méér dan een vlam voor de onbekende homo

Hans Hafkamp, in Historie & Politiek op 27 september 2019
Reageren? Jouw reactie:

Je naam:
Email (wordt niet getoond):
min. 15 karakters, geen links of html svp




















bottom image




Entire © & ® 1995/2019 Gay International Press & Stichting G Media, Amsterdam. All rights reserved.
Gay News ® is een geregistreerde merknaam. © artikelen Gay News; duplicatie niet toegestaan. Opname uitsluitend na schriftelijke toestemming van uitgever, met verplichte bronvermelding gaynews.nl. Door derden overgenomen artikelen worden in rekening gebracht, en zo nodig geincasseerd. Gay News ISSN: 2214-7640, ISBN 8717953072009. Gay News op Wikipedia.
Volg Gay News:
Twitter Issuu
RSS RSS Editors
zelfstandige Escortboys

CMI
Neem contact op
Abonneren
Adverteren






© 1995/2019 Gay News ®, GIP/ St. G Media