Back to Top
Woensdag 22 Jan
86407 users - nu online: 1284 people
86407 users - nu online: 1284 people login
VAN ONZE EDITORS
Share:







Printervriendelijke Pagina  
De korte maar turbulente geschiedenis van het tijdschrift Destroyer


door Hans Hafkamp in Historie & Politiek , 11 januari 2012

This article is also available in English


“De hoofdstroom van de homocultuur verkleedt z’n kinderporno in het voorwendsel tieners te dienen,” oordeelde Philip Guichard in zijn artikel “I Hate Older Men” in de Village Voice van 27 juni 2000. De toen negentien-jarige (of daaromtrent) auteur lichtte deze boude stelling als volgt toe: “Zo aangenaam als het ook is te geloven dat tijdschriften als XY en Joey werkelijk door homotieners worden geconsumeerd, voor mij is het duidelijk dat de jongens met ontbloot bovenlijf in uitdagende houdingen, die hun glimmende pagina’s vullen, daar zijn zodat oudere mannen erop kunnen masturberen.

Wie denk je koopt al die homotijdschriften die prominent plaats inruimen voor frisse achttienjarigen die hun billen uit elkaar doen? Zeker geen achttienjarigen: Wij hebben het te druk met werkelijke seks met jongens.”


Op deze laatste zin zal ik niet ingaan, maar mijn langjarige ervaring als verkoper in een homoboekwinkel heeft mij geleerd dat Guichard verder gelijk heeft en dat homojongerentijdschriften over het algemeen niet door de zogenaamd beoogde doelgroep worden aangeschaft. Zelfs het bepaald niet erg prikkelende Nederlandse Expreszo wordt doorgaans gekocht door mensen die de leeftijd van de doelgroep ruimschoots gepasseerd zijn.

Zoals zoveel Amerikaanse papieren media is XY Magazine ondertussen (in 2007) opgehouden te verschijnen, mede omdat de vermeende doelgroep voor veel potentiële adverteerders niet interessant is. Voor zover valt na te gaan, had deze opheffing niets te doen met de fotografische inhoud van het tijdschrift, want XY Magazine was een commercieel Amerikaans tijdschrift en daarin verschenen dus geen bijdragen die ook maar op de een of andere manier controversieel zouden kunnen zijn (behalve voor mensen die homoseksualiteit als zodanig controversieel vinden).

Joey ken ik niet en daarover kan ik derhalve niet oordelen, maar XY Magazine heeft, ondanks Guichard’s opmerking over achttien-jarigen die wellustig met hun billen pronken, in de elf jaar dat het verscheen nooit noemenswaardig te maken gehad met kritiek die op de leeftijd van de afgebeelde modellen betrekking had.
Het is mogelijk en zelfs waarschijnlijk dat het excuus dat de leeftijd van de afgebeelde jongemannen overeenkwam met die van de consumenten als een soort bescherming heeft gewerkt.

De god Apollo die een inspiratiebron voor ‘Destroyer’ was omdat hij analytisch is, kijkt met de blik van een estheet



De mensheid in z’n puurste vorm

Heel anders ligt dat als een tijdschriftmaker die schijn niet ophoudt, zoals blijkt uit de receptie van het eenmanstijdschrift Destroyer, waarvan het eerste nummer in april 2006 verscheen. Hoewel dat soms ook het geval is, houdt de benaming eenmanstijdschrift niet noodzakelijkerwijs in dat het hele tijdschrift door één iemand gevuld wordt, maar wel dat één persoon er een zeer duidelijk persoonlijk stempel op drukt. Destroyer was het geesteskind van de Zweedse journalist Karl Andersson. Voor hem stond van aanvang aan vast dat dit een project met een relatief beperkte tijdsduur zou zijn.

In februari 2010 sloot hij het met het tiende nummer dan ook af en stelde vervolgens de geschiedenis ervan te boek. Hij wilde met het tijdschrift, zoals hij schrijft in Gay Man’s Worst Friend: The Story of Destroyer Magazine, de “Ultieme Schoonheid” onderzoeken, “die magische macht die je ontwijkt als je hem benadert en door je vingers glipt als je hem probeert te grijpen.”

Andersson geeft meteen toe dat de mensheid al eeuwenlang naar het geheim van Schoonheid op zoek is: “We zullen Schoonheid nooit vinden, maar we worden nooit mooi van het ernaar zoeken.”

Voor de mensheid, betoogt hij, ligt de Ultieme Schoonheid in de mens zelf: “Bergkammen, reusachtige wolken en kleurrijke bloembladeren in al hun glorie - niets is zo mooi als wijzelf. De mensheid houdt van zichzelf en bewondert zichzelf, waarvoor we onszelf gelukkig zouden moeten prijzen. Mensen mooi vinden is gewoon menselijk.

De grote Schoonheid huist in onszelf. Maar waar in onszelf? Als de mens de mooiste schepping van de natuur is, wat is het dan precies dat ons mooi maakt? Het is precies deze vraag die kunstenaars door de eeuwen bezig heeft gehouden - dat is de reden dat de mens het meest voorkomende onderwerp van hun ontdekkingsreizen is geweest.”


Björn Andrésen als Tadzio in Visconti’s ‘Morte a Venezia’


In sommige culturen groeide uit deze ontdekkingstochten een verering van de vruchtbare moedergodin voort, een vrouw met grote borsten, billen en heupen. De vruchtbare vrouw is echter niet het meest wijdverbreide symbool van de innerlijke schoonheid van de mens. “Er is,” aldus Andersson, “een ideaal dat alle andere in luister overtreft, een ideaal dat sinds mensenheugenis onderwerp van verering is geweest en waarvoor geen maatschappij geslaagd is immuun te blijven: de Jongen. De Jongen is de mensheid in z’n puurste vorm - de mens wanneer hij het meest mens is.”

De Jongen is in Andersson’s optiek - en die van anderen - duidelijk geen kind meer, maar nog geen man. Hij is, zoals Booklist stelde in een bespreking van Germaine Greer’s The Beautiful Boy (2003), “volgroeid genoeg voor seks maar te jong om zich te scheren.” Andersson meent dat in de meeste culturen deze fase van het mannelijk leven met een aureool van speciale verering is omgeven, die niet op vergelijkbare wijze voor dat van een vrouw bestaat.

Ingekrompen homo-identiteit

In deze eeuw is het om moeilijkheden vragen als je de schoonheid van de Jongen in woorden en beelden wilt proberen te vangen, want zoals iemand naar aanleiding van Greer’s boek al opmerkte: “We kijken in constant naar erg jonge meisjes in de media maar zo gauw het een jongen is noemen we het pederastie of pedofilie.” De homowereld verschilt in dit opzicht niet van het merendeel van de rest van de bevolking. Andersson poneert, mijns inziens terecht, dat de toegenomen acceptatie van homoseksualiteit er de afgelopen veertig jaar toe heeft geleid dat wat als een acceptabele “homo-identiteit” wordt gezien, steeds verder is ingeperkt.


Een korte periode na de Stonewall-rellen in 1969 was “homoseksualiteit” een begrip dat (haast) alle vormen van gelijkgeslachtelijke aantrekkingskracht omvatte, maar sindsdien zijn steeds meer groepen systematisch buiten de hoofdstroom gemaneuvreerd.

Andersson is niet de eerste of de enige die dit opmerkt. Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau bleek nog niet zo lang geleden dat jongens vooral moeten voorkomen dat zij “homo,” “mietje” of aanverwante termen naar hun hoofd geslingerd krijgen door, vooral, andere jongens. Deze afkeer van verwijfdheid, “nichterigheid” wordt, zoals Gert Hekma vorig jaar in Gay News opmerkte, door “homojongens die op schoolpleinen en elders systematisch voor ‘vieze nicht’ of ‘vuile flikker’ worden uitgemaakt, uit zelfbescherming gretig over[genomen]. Zij ontwikkelen een weerzin tegen onmannelijkheid en expliciete seksuele uitingen, die zij liefst aan een oudere homogeneratie toeschrijven – zij zijn niet zó.” Die weerzin tegen expliciete seksuele uitingen, die niet alleen bij jongeren leeft, heeft tot gevolg gehad dat ook leermannen vaak het verwijt krijgen dat ze een verkeerd, te pervers beeld van homoseksualiteit naar de buitenwereld presenteren.

‘Zelfs Donatello’s “David” kan in sommige landen als kinderporno worden beschouwd’

Het beeld dat momenteel de voorkeur heeft is dat van de monogame twintiger of dertiger die zoveel mogelijk een heteroseksueel bestaan imiteert. Het homo-huwelijk biedt een frisser, acceptabeler beeld dan promiscue rondhoereren in darkrooms of met wiegende heupen flirtend door een winkelstraat paraderen. De minste acceptatie geniet echter, in de woorden van Andersson, “mannelijke bekoring door jonge mannen. Geen kinderen, maar tieners. Plotseling wordt dit niet langer homoseksualiteit genoemd. Mannen die vooral op tieners vallen werden plotseling ‘jongensliefhebbers’ genoemd, of zelfs, foutief, ‘pedofielen.’ Door zichzelf op een afstand te plaatsen [...] zouden andere homoseksuelen gemakkelijker door de maatschappij geaccepteerd worden.”

Seks vernietigt schoonheid

Andersson ging dus radicaal tegen de tijdgeest in toen hij met Destroyer probeerde “ de adolescente homojongen terug te brengen als een van de idealen van de homocultuur.” Dit wil echter niet zeggen dat hij ook voor seks met dit schoonheidsideaal pleitte. Integendeel. Al in het eerste nummer had hij geschreven: “Het is één ding seks te hebben. En een geheel ander ding een schoonheidsideaal te vereren.” Door alle nummers van Destroyer loopt derhalve de filosofie dat seks schoonheid vernietigt, of zoals Andersson ooit in een interview zei: “Mijn eigen ervaring is dat als je toevallig seks hebt met je schoonheidsideaal, iets waarbij ik alleen maar dicht in de buurt ben geweest omdat je het bij definitie niet kunt hebben, zijn schoonheid vervaagt en hij wordt wat seks is: Vlees.”

Verschillende mensen hebben hun verwondering over de titel Destroyer uitgesproken. Die is echter begrijpelijk voor wie weet dat dit een verwijzing is naar Camille Paglia’s baanbrekende bestseller Sexual Personae: Art and Decadence from Nefertiti to Emily Dickinson uit 1990. Dit boek bevat namelijk een hoofdstuk met de titel “The Beautiful Boy as Destroyer,” waarin de Amerikaanse kunsthistorica de romans The Picture of Dorian Gray van Oscar Wilde, Thomas Mann’s Der Tod in Venedig en Billy Budd door Herman Melville analyseert.

Deze boeken hebben gemeenschappelijk dat de mooie jongen uiteindelijk de destructie van zijn bewonderaar veroorzaakt. Andersson beschouwt Basil Hallward (Wilde) en Gustav von Aschenbach (Mann) als zielsverwanten.


Kattun, een Japanse jongensband, een fenomeen dat in het vijfde nummer werd belicht

Deze verwijzingen naar een tragisch verlopende dweperij maken duidelijk dat Andersson niet in het produceren van een afruktijdschrift was geïnteresseerd. Vanaf het begin heeft Destroyer dan ook volledig binnen de grenzen van de wet geopereerd, zoals diverse malen van officiële zijde is vastgesteld. Omdat de Zweed Andersson ten tijde van de publicatie van de eerste nummers in Praag woonde, had iemand ooit bij de Tsjechische ambassade in Stockholm een bezwaar ingediend, waardoor hij bij de Praagse politie moest verschijnen.

Na een kort gesprek en het bestuderen van de verschenen nummers, deelde de inspecteur van politie mee dat het onderzoek hiermee was afgesloten en dat er niets aan de hand was. De agent voegde daar zelfs nog aan toe dat hij in alle ernst niet kon begrijpen waarom iemand over het tijdschrift aangifte zou willen doen, “maar ik veronderstel dat de reden homofobie moet zijn.” Toen Andersson later in Berlijn woonde maar Destroyer nog steeds in Tsjechië liet drukken, werd hij ook nog een keer bij steekproefsgewijze controle door Duitse douanebeambten aangehouden, die echter ook geen kwaad aan het tijdschrift konden ontdekken.


Klassieke Griekenland vibraties

De opmerking van de Tsjechische wetsdienaar is vooral opmerkelijk omdat de grootste kritiek op Destroyer vanuit de (georganiseerde) homobeweging kwam. Andersson had in Zweden enige naam gemaakt als redacteur van Straight, een zusterpublicatie van Zweden’s grootste homotijdschrift QX.

Het laatstgenoemde blad besteedde aanvankelijk geen enkele aandacht aan dit geesteskind van hun voormalige medewerker. De storm barstte in Andersson’s vaderland Zweden pas los nadat de presentatoren van het radioprogramma P3 Homo er hun gal over hadden laten uitgestort.

Thomas Eakins (1844 - 1916), ‘Arcadia,’ circa 1883

Eén van de presentatoren noemde het eerste nummer “werkelijk, werkelijk walgelijk. Ik moet zeggen dat ik van die klassieke Griekenland vibraties krijg, je weet wel, die leeftijdshiërarchische visie op seks en jonge jongens, nee het is walgelijk!”

Enige tijd later beweerde Sören Juvas, de voorzitter van de Zweedse homorechtenorganisatie RFSL waarvoor ook Andersson enige tijd werkzaam is geweest, in een interview met het radioprogramma P1-morgon dat hij niets herkende in de filosofie van Destroyer, “dat een grote groep homoseksuelen denkt dat dit iets goeds is, dat wil zeggen, seksuele lustgevoelens ondervinden bij tienerjongens.” Iets later in het programma fulmineerde hij tegenover Andersson, die telefonisch bij de discussie betrokken was, dat hij “natuurlijk de jonge tienerjongen seksualiseert. [...] Ik vind dat je de grenzen verlegt op een manier die ik niet goed vind. Ik denk dat dit de mogelijkheid opent dat jonge mensen misbruikt worden.”

Het schrijnende aan deze kritiek van homo-bobo’s is dat ze hiermee niet alleen hun stem verhieven in hetzelfde koor als de Zweedse Ombudsman voor Kinderen, maar ook dat van rechtsextremisten. Dat Destroyer op verschillende neo-nazi-sites stevig zou worden aangevallen kon in de lijn der verwachtingen liggen, maar dat beroepshomo’s ook zo fel van leer trokken is vooral een bewijs van Andersson’s stelling dat de acceptabele homo-identiteit de laatste jaren steeds verder is ingeperkt. Vooral opvallend is de van geen enkel historisch besef getuigende kritiek op het klassieke Griekenland, een samenleving die zowat de hele twintigste eeuw door homo-emancipators werd opgeroepen als een paradijs waarin homoseksualiteit een legitieme plaats had. De politiek-correcte homowoordvoerders veroordeelden met hun bezwaren tegen Destroyer in één haal ook een groot deel van de moderne homo-emancipatiegeschiedenis tot de prullenbak.

In het vierde nummer van Destroyer had Andersson naar aanleiding van de publicatie bij de vaste tentoonstelling van het Schwules Museum te Berlijn terecht geconstateerd dat “het meest opvallende thema door het hele boek heen is dat homoseksuele geschiedenis pederastische geschiedenis is, of om het anders te stellen: dat homoseksualiteit gelijkstond met bekoord worden door jongens en jonge mannen. Tot maar enkele tientallen jaren geleden, was een homobar in essentie hetzelfde als een hoerenbar.”

In Gay Men’s Worst Friend werkt hij de thematiek van de pederastische relaties - die zeker niet gelijkgesteld mogen worden met pedofilie - nader uit: “Er zijn homoseksuele relaties die pederastie genoemd kunnen worden - dat is natuurlijk waar de homofoben naar verwijzen als ze homomannen ervan beschuldigen pedofielen te zijn.

Deze pederastische relaties tussen jongere en oudere mannen werden voorheen homoseksualiteit genoemd en werden door de homobeweging verdedigt als een uitdrukkingsvorm van homoseksualiteit. Toen accepteerde de homobeweging de retoriek van de homofoben, begon deze relaties pedofilie te noemen en wilde daar niets meer mee te maken hebben. [...]



Als we deze relaties pederastie noemen, dan is het waar om te zeggen dat de homobeweging een pederastisch erfgoed heeft. Dit zou verdedigd moeten worden als een legitieme uitdrukkingsvorm van homoseksualiteit, wat een van mijn punten in Destroyer was. [...] De kwestie zal blijven opdoemen vanwege de simpele reden dat tienerjongens zich aan seks zullen blijven overgeven.”

Niets te corrumperen

Hoewel sommige hedendaagse homo’s zich bij deze samenvatting ongemakkelijk zullen voelen, is hij wel correct. Afgezien van het historische aspect zitten er enkele opmerkelijke facetten aan de huidige hysterie rond jeugdige homo-erotiek. Ten eerste natuurlijk het feit dat die betrekking heeft op mannen die naar jongens kijken, want dat vele hetero’s het prettig vinden naar tienermeisjes te kijken weet iedereen en wordt niet als een probleem beschouwd.

In een kort interview in Gay Man’s Worst Friend merkt Marita Lindquist, die een controversieel boek publiceerde over de populariteit van Japanse jongensbands en die aan het vijfde nummer van Destroyer een bijdrage over hetzelfde onderwerp leverde, in dit verband op: “Waarom is het verontrustender met naakte tienerjongens dan met naakte tienermeisjes?


Degenen die Destroyer hekelden wilden dit soort zaken niet eens bediscussiëren. Het was gewoon kinderpornografie - punt.”

Wat nog verbazingwekkender is aan het debat over de erotisering van jongeren en het gelijkstellen daarvan met misbruik, is dat de homowoordvoerders hun eigen levensgeschiedenis vergeten schijnen te zijn. Wie zich een beetje verdiept in homoseksuele levens, in boekvorm of in persoonlijke gesprekken, weet dat veel mannen met de dichter Willem de Mérode kunnen zeggen: “Hoe en wanneer kwam U tot de ontdekking van uw anderszijn? Ik al heel, heel vroeg, als jonge jongen nog, en door een woordenboek. Toen dacht ik dadelijk: zoo is mijn aanleg.” De Mérode, die in 1887 was geboren, schreef dit in 1927 en sindsdien is er veel ten positieve veranderd, zelfs zodanig dat Philip Guichard in zijn artikel in de Village Voice brutaal beweerde dat “in de hedendaagse wereld verliezen adolescente mannen hun onschuld voordat ze zelfs maar de puberteit bereiken. Er valt niets te corrumperen.”

‘Beach Boys,’ gouache op papier van de Australische kunstenaar Donald Friend (1915-1989), aan wie in het tiende nummer een artikel was gewijd

De stelligheid van deze opmerking is tekenend voor de jeugdige bravoure die Guichard’s hele artikel kenmerkt, maar veel homo’s zullen enige herkenning voelen bij de vaststelling die Paul Bailey, jaargang 1937, doet in het nawoord bij Three Queer Lives (Londen 2001) dat “op zestienjarige leeftijd, had ik bescherming nodig tegen potenrammers, tegen geestelijken die bleven donderpreken over de zonden van Sodom en Ghomorra, tegen buren die op haast dezelfde manier over ‘flikkerjongens’ praatten als ze over ‘Jodenjongens’ praatten. Deze gevoelige, arbeidersjongere zou de bescherming van iemand die hij kon vertrouwen verwelkomd hebben, iemand [...] die hem verteld kon hebben dat zijn gevoelens natuurlijk zijn.”

Tienerjongens die hun homo-erotische gevoelens ontdekken willen helemaal niet altijd beschermd worden tegen de blikken van homoseksuele mannen. Nu is het niet waarschijnlijk dat deze jongens tot de lezers van Destroyer behoorden, maar om ze af te schermen van de grote, boze homowereld is zeker geen vruchtbare optie.

De jongen als lustsymbool

Bij het lezen van Gay Man’s Worst Friend moest ik soms aan Sigmund Freud denken. Deze Weense zielenarts beweerde ooit dat de sterkst verwoorde aversies van mensen doorgaans betrekking hebben op zaken waar ze in het geheim naar verlangen. Uit recent onderzoek van de University of Georgia is gebleken dat mannen die het luidst hun homofobe gevoelens kenbaar maakten, degenen waren die het meest opgewonden raakten bij het bekijken van homoporno.

Dit roept de vraag op wat de critici van Destroyer in werkelijkheid overschreeuwden. Waarom voelden ze zich bij dit marginale tijdschrift zo ongemakkelijk, terwijl ze waarschijnlijk tegelijkertijd wegzwijmelden bij algemeen geprezen films als Marco Kreuzpaintner’s Summer Storm of Beautiful Thing van regisseur Hettie Macdonald, uitingen van wat Guichard omschreef als “de recente overvloed van films als Get Real en Edge of Seventeen, die homojongens tonen die dingen met elkaar doen die tot een R[estricted]-classificatie leiden, waarmee wordt voorkomen dat homojongens die films over henzelf zien.

De Britse miniserie Queer as Folk prikkelde homomannen over de gehele wereld met z’n vijftienjarige jongen van wie door een oudere man de kont wordt gelikt. Dit soort softcore-drama weerspiegelt een wijdverspreide waardering van de jongen als lustsymbool.”

Michelangelo’s ‘David,’ die door lezers van het ‘Destroyer’-blog werd uitgeroepen tot populairste David-beeld


Inderdaad! De geschiedenis en receptie van Destroyer roepen daarom vragen op die niet gemakkelijk te beantwoorden zijn. Hoewel Gay Man’s Worst Friend slechts 128 pagina’s telt, presenteert Andersson hierin een overvloed aan materiaal voor diepgaande reflectie over de richting waarin de huidige homowereld zich moreel beweegt. De lezer zal het lang niet altijd met Andersson eens zijn, maar het kan geen kwaad na te denken over de lustvijandige retoriek die sommige onderwerpen momenteel omgeeft.

Karl Andersson, Gay Man’s Worst Friend: The Story of Destroyer Magazine. Berlijn: Entartetes Leben, 2011, 128 blz., ISBN 9789163368998. Gezien de beperkte oplage van 500 exemplaren en het onderwerp, is het zeer waarschijnlijk dat dit boekje kort nadat het uitverkocht raakt al als “gezocht” zal worden bestempeld en er hoge prijzen voor gevraagd zullen worden.

Cover of Destroyer and journalist Karl Andersson

















GERELATEERDMEER VAN HANS HAFKAMPMEEST GELEZEN VAN HANS HAFKAMP

De korte maar turbulente geschiedenis van het tijdschrift Destroyer

Hans Hafkamp, in Historie & Politiek op 02 januari 2020
Reageren? Jouw reactie:

Je naam:
Email (wordt niet getoond):
min. 15 karakters, geen links of html svp




















bottom image




Entire © & ® 1995/2020 Gay International Press & Stichting G Media, Amsterdam. All rights reserved.
Gay News ® is een geregistreerde merknaam. © artikelen Gay News; duplicatie niet toegestaan. Opname uitsluitend na schriftelijke toestemming van uitgever, met verplichte bronvermelding gaynews.nl. Door derden overgenomen artikelen worden in rekening gebracht, en zo nodig geincasseerd. Gay News ISSN: 2214-7640, ISBN 8717953072009. Gay News op Wikipedia.
Volg Gay News:
Twitter Issuu
RSS RSS Editors
zelfstandige Escortboys

CMI
Neem contact op
Abonneren
Adverteren






© 1995/2020 Gay News ®, GIP/ St. G Media