Back to Top
Vrijdag 10 Apr
86426 users - nu online: 1045 people
86426 users - nu online: 1045 people login
VAN ONZE EDITORS
Share:







lengte: 21 min. Printervriendelijke Pagina  
Een Parijse affaire uit 1904, deel 2 - Gebak, champagne en bananen


door Caspar Wintermans in Historie & Politiek , 13 augustus 2011

This article is also available in English
lengte: 21 minuten


Ernest Boulton, kunstschilder. Zijn naam zul je in de biografische woordenboeken niet terugvinden. Er is geen museum waar je zijn werk kunt bewonderen. Geen student is op hem gepromoveerd. Toch heeft hij tijdens zijn leven veel publiciteit gekregen, publiciteit waarmee hij allesbehalve content was en die hem — letterlijk — noodlottig is geworden. Deze Engelsman, geboren in Londen en een alumnus van de Universiteit van Oxford, 32 jaar oud toen hij in het nieuws kwam, had zich in 1902 te Parijs gevestigd.

Hij bewoonde een appartement in de boulevard Raspail; zijn atelier bevond zich in de boulevard Montparnasse, n° 83. Daar maakte hij elke ochtend om tien uur stipt zijn opwachting. De conciërge had aanvankelijk een gunstige indruk van de gladgeschoren kunstenaar. Boulton ging volgens de laatste mode gekleed, hij was vriendelijk, en correct in de omgang. Een echte heer.

Mevrouw Bernard (zo heette de conciërge) voelde medelijden met hem, want zijn gezondheid liet te wensen over: zijn huid was bleek, hij oogde vermoeid en hoestte voortdurend. “De TBC-lijder van n° 83,” noemde ze hem. Als gevolg van een ongelukkige val die hij als klein kind had gemaakt, liep hij ook nog eens mank. Van zo iemand kon je geen excessen verwachten...

Enkele toprecruten

Om zes uur ’s avonds zat voor Boulton de arbeid erop. Dan waste hij zijn penselen, verliet het pand, dineerde in zijn favoriete restaurant en keerde huiswaarts. In zijn weelderig ingerichte kamers kreeg hij geregeld bezoek van een landgenoot, die bij Boulton’s vrienden als diens “onafscheidelijke vriend” bekend stond. De schilder werd verondersteld de zaterdagavond vaak door te brengen in de Engelse ambassade waar hij naar eigen zeggen een graag geziene gast was. Het is mogelijk dat hij zich daar bij tijd en wijle vertoonde; maar wie hem had geschaduwd, zou hebben ontdekt dat hij zich opnieuw naar de boulevard Montparnasse begaf.

Hij organiseerde er feestjes die beslist niet door de beugel konden. Althans, dat meende een anonymus die rond de zestiende maart 1904 een brief naar de hoofdcommissaris van politie stuurde. Deze werd geïnformeerd dat er op korte termijn — en niet voor het eerst! — in Boulton’s atelier “een orgie” stond geprogrammeerd. “Die Boulton is een zedeloos man,” besloot de afzender. “Meer wil ik er niet over kwijt, meneer de prefect. Het enige wat ik kan toevoegen, is dat jonge telegrambestellers de hoofdrol gaan spelen in die liederlijke scènes. Ik vond dat het mijn plicht was U hiervan op de hoogte te stellen.”

Besloten werd de zaak te onderzoeken en de studio te observeren. Een op zaterdag 19 maart onderschept, aan Boulton gericht briefje maakte duidelijk dat het feest inderdaad aanstaande was, ja, dat het nog diezelfde avond zou worden gevierd.


“Ik heb het nodige gedaan en enkele toprecruten gevonden. Ik denk dat we vanavond een briljante groep soldaten zullen hebben. Vergeet niet kostuums, bloemen en de nodige accessoires mee te nemen. Ik hoop dat er ook champagne zal zijn. Als iedereen in dezelfde stemming verkeert als ik en even vurig is, belooft het een knalfuif te worden.”

Deze regels waren ondertekend met “Phoebe.” Een pseudoniem, natuurlijk. De schrijver kon niet vermoeden wat hem en zijn makkers boven het hoofd hing...

Er werden talrijke inspecteurs opgetrommeld die zich rond acht uur verdekt opstelden. Mevrouw Bernard was tevoren ingelicht over de op handen zijnde operatie. Ze beloofde haar volledige medewerking; recentelijk hadden ook háár geruchten over haar huurder bereikt.
Boulton verscheen, merkwaardig uitgedost. Hij droeg een fez, een Algerijnse mantel en een wijde, witte broek; zijn voeten waren gestoken in goudbestikte Oosterse muilen. Hij riep de conciërge bij zich.

“Vanavond ontvang ik een paar mensen,” zei hij, “die straks naar mij zullen vragen. Ik zou U zeer dankbaar zijn als U hun de weg wilt wijzen naar mijn atelier.”

Op de laatste dag van 1904 publiceerde het satirische tijdschrift ‘L’Assiette au beurre’ deze prent waarmee de homoseksuele voorkeur (de ‘cultus van Antinoüs’) van sommige Parijse artistiekelingen op de hak genomen werd. Verkleedkleren, bloemenkransen en de plaats van samenkomst - een atelier met dakraam - lijken te verwijzen naar de Boulton-affaire. Collectie van Raimondo Biffi, Rome

Mevrouw Bernard constateerde dat de werkplaats er heel anders uitzag dan normaal. De muren waren bekleed met rode en witte stof. De vloer was met rozenblaadjes bestrooid. In de hoeken van het vertrek stonden schaaltjes waarin parfum brandde. Aan het plafond waren gietijzeren lampen gehangen. Op een grote tafel had Boulton diverse lekkernijen, likeur en champagne gezet. Achterin ontwaarde de dame een met leeuwen- en tijgervellen bedekt bed, terwijl op een bijzettafeltje “verschillende instrumenten” lagen uitgestald, “over de aard waarvan we moeilijk kunnen uitweiden” — om een lang artikel uit Le Matin te citeren waarvoor een plaats op de voorpagina werd ingeruimd.

In naam der wet

Enigszins verbouwereerd deed mevrouw Bernard de agenten verslag van hetgeen ze gezien had. Het wachten was nu op de gasten van Boulton. Ze kwamen te voet, in een koets, in een auto. In totaal achttien personen (de jongste was zestien, de oudste 46) bestegen de trap die voerde naar het atelier waar de champagne-kurken knalden en “de orgie” van start ging. Er werd gelachen, gezongen; iemand bespeelde een orgel. De luistervinken nu wilden ook zien wat er gebeurde. Enkele rechercheurs, vergezeld door het echtpaar Bernard, klommen daartoe op het dak en slopen naar het raam dat hierin was aangebracht. Zonder te worden opgemerkt, konden ze waarnemen hoe Boulton’s gasten zich amuseerden.

Twee jongens, volkomen naakt, werden door een feestganger in militair tenue met rozenkransen gekroond. Boulton, in kleermakerszit op een sofa gezeten, gaf een slag op een gong, waarop een lied werd aangeheven. De ceremonie had veel weg van een bruiloft: het paar strekte zich uit op het bed, een laken werd over hen gespreid; ze voltrokken het huwelijk, zogezegd, terwijl de soldaat een andere jongeman apart nam en zich met hem “op zonderlinge wijze onderhield.” Tijd om in te grijpen, vond de politie. Rond middernacht werd er op de deur van het atelier gebonsd.

“In naam der wet, doe open!”
De consternatie van de feestvierders laat zich indenken. Ontsnappen was onmogelijk; agenten blokkeerden alle uitgangen. De chef van het arrestatie-team gelastte dat men zich aankleedde. Zijn ondergeschikten barstten uit in gelach toen een van de pechvogels (de organist) een Schotse kilt aantrok.

De zeventienjarige telegrambesteller vergoot bittere tranen toen hij zijn uniformjas dichtknoopte. Hij gaf voor aan Boulton een petit-bleu te hebben overhandigd, en betreurde het niet onmiddellijk zijn hielen te hebben gelicht. Al even ongeloofwaardig was Boulton’s verzekering dat hij van “ontoelaatbaar gedrag” van zijn gasten “niets had gemerkt.”

De mannen werden afgevoerd naar het hoofdbureau van politie waar om drie uur in de morgen de eerste verhoren begonnen.



Politie-agenten op het dak van Boulton’s atelier. Een spotprent door Abel Faivre die in ‘Le Journal’ verscheen. ‘Vooruit, we hebben nu wel genoeg gezien. We moeten ze alleen nog inrekenen.’ - ‘Maar er is geen enkele haast, chef... Ze wekken niet de indruk elkaar te maltraiteren.’ Bron: Régis Revenin, ‘Homosexualité et prostitution masculines à Paris 1870-1918’


‘Vuige liefkoozingen’

Op maandag berichtten de kranten over de “antieke orgieën” van de boulevard Montparnasse. Eens te meer, fulmineerde Le Matin, was het bewijs geleverd “van de volslagen verdorvenheid van sommige lieden die, onder het mom heidense praktijken opnieuw te ensceneren, in het hartje van Parijs weerzinwekkende saturnaliën organiseren, die onze moderne wetten terecht veroordelen wanneer ze met zoveel ruchtbaarheid gepaard gaan dat de publieke moraal wordt gekwetst.”

Aan burggraaf Henri-Charles-Bernard-Théodore-Médéric de Valles, onderzoeksrechter, de taak de arrestanten te verhoren, hun achtergrond in kaart te brengen en ze indien mogelijk tot een bekentenis te bewegen. Hij zou zijn bevindingen vastleggen in een rapport dat naar de rechters van de achtste chambre correctionnelle zou worden gezonden, zodat zij tevoren een goed beeld van de zaak kregen. De mening van de Valles legde bij hun oordeelsvorming veel gewicht in de schaal; hij bepaalde ook welke verdachten zouden worden aangeklaagd en welke niet.


De Valles had ongetwijfeld een gevoel van déjà vu. In de zomer van 1903 was zijn aandacht langdurig opgeëist door een ander zedenschandaal, dat van de avenue Friedland, waarbij de feestjes van de homoseksuele dichter baron Jacques d’Adelswärd-Fersen en zijn kompaan, graaf Hamelin de Warren, onder de loep waren genomen. Het duo was in december na een sensationeel proces tot zes maanden celstraf en een boete veroordeeld.

De affaire, door de pers tot monsterlijke proporties opgeblazen, had hun reputatie verpulverd; het is daarom meer dan merkwaardig dat hun lot Boulton c.s. niet heeft gemaand meer discretie te betrachten en minder geluidsoverlast te veroorzaken. Omwonenden van het atelier zwaaiden langs bij de Valles om hem te vertellen over “de obscene uitdrukkingen, de koosnaampjes en de veelzeggende onomatopeeën” die ze hadden gehoord.

Burggraaf de Valles, onderzoeksrechter. Een afbeelding die op 13 november 1909 verscheen in ‘L’Illustration.’ Gereproduceerd met welwillende toestemming van de Koninklijke Bibliotheek, Den Haag

Een gezinshoofd zei dat de herrie hem zó had geërgerd dat hij op het punt had gestaan te verhuizen. Nu Boulton achter slot en grendel zat, was dat niet meer nodig, dus zijn opluchting was groot.
Verschillende kranten publiceerden een lijst van de namen van de arrestanten, hun beroep, nationaliteit en hun leeftijd. Die lijsten waren niet foutloos; zo werd de naam van de kunstschilder door Le Matin als “Bulton” gespeld en werd in eerste instantie beweerd dat hij uit de Verenigde Staten kwam. De groep die hij ontvangen had, was zeer gemêleerd, en omvatte naast Fransen een Ier, twee Engelsen, een Kretenzer, een Amerikaan, een Nederlander en een Pool van Russische afkomst.

“De gemeenschappelijke ondeugd” bleek inderdaad “elk maatschappelijk verschil [weg te wisschen]”: renteniers, een koopman, twee schrijvers, twee tekenaars, een journalist, een rechtenstudent, een verzekeringsagent, een boekverkoper, een verpleger, een soldaat, een huisknecht en een telegrambesteller hadden in de studio (en elders) “hunne vuige liefkoozingen [gewisseld].” Ze vormden een treurige aanblik toen ze, geflankeerd door agenten en met handboeien om, in het Paleis van Justitie werden voorgeleid. Op hun gezicht tekenden zich angst en vermoeidheid af. Het leek wel of ze door een knots waren geslagen. Nog altijd droegen ze hun feestkleren die onder hun overjassen met opstaande kragen goed waren te zien. De verslaggever van Le Matin gaf toe een gevoel van medelijden niet te kunnen onderdrukken. Dat gevoel werd nog versterkt toen een van de jongste verdachten een zenuwtoeval kreeg.


Een charmante huzaar

Ondanks hun penibele situatie lieten de meeste mannen zich niet intimideren. Sommigen verklaarden dat hun gedrag hun zaak was en dat de overheid niet was bevoegd zich te bemoeien met hun privé-leven. Jacques-André Schwob, correspondent van een regionale krant en de schrijver van het aan Boulton gerichte, onderschepte briefje, voerde daarentegen tot zijn — zwakke — verdediging aan dat hij enkel een étude de moeurs, een “studie naar de zeden” had willen maken. Alexandre-Théophile Queneville, soldaat van het vierde regiment der zoeaven, die met verlof was toen hij door een van Boulton’s vrienden voor het feest was uitgenodigd, en die in het atelier was bezweken voor de charmes van de telegrambesteller, deed geen poging zich eruit te kletsen. Hij vond het vreemd dat men zo’n ophef maakte over “zulke onbenulligheden.” Had men bij Justitie nou echt niets beters te doen?

In de dagen die volgden vond er een minutieus onderzoek plaats naar de levenswandel van de arrestanten. Hun huizen werden ondersteboven gehaald, en het grote publiek nam gretig kennis van de resultaten van dit gesnuffel. Glashelder bleek dat er sprake was van een “genootschap”: Boulton’s gasten kenden elkaar goed.

Toen de politie aanbelde bij de oudste van de groep, een 46-jarige Nederlander genaamd Alexis Duco Harmens, die in het quartier de l’Étoile een luxueus logies bewoonde “met badkamer en telefoon,” werd er open gedaan door een in livrei gestoken valet. Deze had zich na de arrestatie van zijn werkgever naar mevrouw Bernard gespoed om haar duizend francs aan te bieden als ze zou voorgeven Harmens vóór de fatale zaterdagavond nooit te hebben gezien.

Op dit voorstel was de onkreukbare dame niet ingegaan. Werd de “toegewijde bediende” aangeklaagd wegens poging tot omkoping? Hierover zwijgen de bronnen. Hij leidde de rechercheurs desgevraagd naar Harmens’ werkkamer, waar ze brieven vonden die een jongeman “van bijzondere zeden” aan de koopman had gericht. “Banville” noemde hij zich; voor de politie geen onbekende.



Marcel Chabrier was de zoon van de componist Emmanuel Chabrier. Bij hem werden geïllustreerde pornografische romans in beslag genomen alsook expliciete brieven die een zekere Léon uit Caen hem had geschreven. Léon had onlangs een oude klasgenoot ontmoet. “Hij is nu een charmante huzaar, en ik heb goede hoop dat het me zal lukken hem ertoe te bewegen zijn maîtresse te verlaten zodat ik hem geheel kan bezitten.” Dit project werd, zo bleek uit een later epistel, tot een succesvol einde gebracht:

“Ik heb hem gekregen, m’n kleine huzaar, ik heb hem gekregen, ik heb hem gekregen! Mijn moeder had me toestemming gegeven om na de theatervoorstelling een paar vrienden in mijn kamer te ontvangen. Er was gebak en goede likeur. We waren met z’n vieren, de huzaar inbegrepen... Je kunt dus wel begrijpen wat er gebeurd is. En dan te bedenken dat er nog altijd mensen zijn die beweren dat je je niet kunt amuseren in Caen!”


Zonderlinge diensten!

Léon’s voorkeur voor militairen werd gedeeld door Ernest Harold (of Arnold) Vere, die zich als Schot had verkleed. Hij verzamelde houten soldaatjes, en liet zich graag met zoeaven en kurassiers fotograferen. Omdat hij in dit stadium van het onderzoek nog altijd zijn kilt droeg, had hij een zware verkoudheid opgelopen, want het was kil. Vandaar dat hij aan de eigenaar van het hotel waar hij logeerde, vroeg of deze hem zijn broek wilde doen toekomen. De broek werd bezorgd in de gevangenis; maar helaas had Vere vergeten dat er in de zakken compromitterende brieven zaten die door de cipier werden ontdekt en die op het bureau van Monsieur de Valles belandden... Daarmee was de mogelijkheid dat de Ier voor voorlopige invrijheidstelling in aanmerking zou komen, van de baan.

Het visite-kaartje van de twintigjarige ziekenverzorger, Hubert Roger, werd bij vrijwel alle gearresteerden aangetroffen. De tekst luidde:

HUBERT ROGER

Betovering – Gezondmaking

Omarming



“Dat zijn zakelijke kaartjes,” zei hij onverstoorbaar tegen de onderzoeksrechter. “Ik bood die heren mijn diensten aan.”
“Zonderlinge diensten!” liet de Valles zich ontvallen.

Op een tafel had de politie een enveloppe gevonden met daarin een brief die Roger nog niet op de post had gedaan. Ze was gericht aan Louis P***, verbonden aan de Franse ambassade in Italië. De toon van de brief, aldus Marc-André Raffalovich in een artikel dat hij in 1907 aan de affaire wijdde, was “uitermate familiair.” “Het wemelde van de platvloerse details. We kunnen het onderwerp niet eens aanroeren, het is smerig.” Le Matin volstond met een citaatje: “Ik hoop dat je je in Rome net zo vermaakt als wij hier in Parijs.” De brief werd naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken gestuurd, waar men wellicht tot disciplinaire maatregelen tegen P*** besloot. Over diens rang en verdere lotgevallen melden de kranten ons niets.

In Boulton’s woning vond men een door de “kunstenaar” gemaakt portret van Roger (dat Le Matin het woord “kunstenaar” tussen aanhalingstekens plaatste, was veelzeggend). “Grote God, wát een schilderij!” schreef Raffalovich. De titel van Boulton’s lievelingsboek durfde hij niet eens te noemen. Er werden brieven ontdekt van soldaten die Boulton tijdens een reis naar Tunesië had ontmoet, alsook rekeningen van leveranciers waaruit bleek dat hij voor het feest van zaterdag elf francs had betaald voor gebak, 230 francs voor champagne en dertig francs voor bananen.

Het ging niet goed met de Brit. Zijn moeder en zuster wilden hem spreken en vervoegden zich bij het Paleis van Justitie; maar hij weigerde hen onder ogen te komen, en de vrouwen, in het zwart gekleed, verlieten het gebouw in tranen. In april viel Boulton ten prooi aan een véritable folie érotique.

De psychiater die hem onderzocht, concludeerde dat er van simulatie geen sprake was. Boulton’s bewakers, wier loslippigheid tegenwoordig, dunkt me, streng zou worden bestraft, beweerden dat hij zijn eigen uitwerpselen at. “Men schrijft zijn staat toe aan zijn detentie die zijn nervositeit heeft verergerd.” Ernest Boulton zou nooit voor de rechtbank verschijnen. Hij werd in een krankzinnigengesticht geplaatst, en is daar hoogstwaarschijnlijk gestorven.



Zucht van verlichting

De kranten bleven bijzonderheden publiceren over de verdachten. Jules Julitte, de telegrambesteller die door zijn homoseksuele vrienden “Phylis” genoemd werd, was door zijn moeder en stiefvader een paar maanden tevoren “op grond van zijn levenswandel, die eenieder bekend was,” de deur uitgezet. Hij had het ouderlijk huis te Fontenay-sur-Bois moeten inruilen voor een kamertje op de vierde etage van een huurkazerne in Parijs. “Zelfs op het postkantoor waren [zijn] collega’s op de hoogte van zijn schandalige leefwijze.”

De moeder van de jeugdige Henri Kessler vertelde huilend aan de politie dat ze altijd had gedacht dat het slecht zou aflopen met haar zoon die een baantje had op een verzekeringskantoor. Raffalovich merkte meesmuilend op dat hij zijn tijd verdreef met het vijlen van zijn nagels. Over Charles Noblet lekte uit dat hij zich graag liet fotograferen met “individuen die men ’s nachts niet op een afgelegen plek in het bos zou willen tegenkomen.”

Zijn naamgenoot, de heer Charles Noblet uit Boulogne-sur-Seine, verzocht de redactie van Le Petit Parisien te vermelden dat hij vooral niet moest worden verward met degene die in Boulton’s atelier in de kraag was gevat. Eerder had de heer André Schwob Le Matin laten weten dat het zijn broer Jacques was, en niet hijzelf, die het beruchte feest had bijgewoond. Zelfs op Goede Vrijdag zette de heer de Valles zijn werkzaamheden voort. Deze ijver dwong bij de journalisten respect af.

De affaire was inmiddels zó wijdvertakt, er waren zoveel namen van “pederasten” gevonden in de correspondentie van de verdachten, dat de onderzoeksrechter aankondigde de omvang van zijn naspeuringen binnen de perken te zullen houden. Menig homo zal een zucht van verlichting hebben geslaakt.

Een architect stelde vast dat de omwonenden van de studio geen glimp van “de orgie” hadden kunnen opvangen; en omdat de observaties van de politie en het echtpaar Bernard ontoereikend waren om de voor een veroordeling vereiste “publiciteit” te vormen — de gluurders hadden immers op het dak moeten klimmen om de feestgangers te kunnen bespioneren —, vreesde de Valles dat Boulton’s gasten de dans konden ontspringen. Zijn beslissing de vier minderjarigen niet te vervolgen, moet daarom worden gezien als een tactische zet.

Zoveel was duidelijk: geen hunner was onvrijwillig uit de kleren gegaan. Van mishandeling was geen sprake. De jongens, indien aangeklaagd, zouden niet als slachtoffer kunnen worden aangemerkt. Door het viertal vrij te laten, hoopte de Valles de kans te vergroten dat de volwassenen schuldig werden bevonden aan excitation des mineurs à la débauche, het aanzetten van minderjarigen tot ontucht.





‘Daden van afschuwelijke aard’

Terwijl de magistraat zijn rapport afrondde, openden de celdeuren zich voor de meeste verdachten, die op borgtocht werden vrijgelaten. Marcel Chabrier moest een fikse som betalen, 5000 francs. De directeur van de Opéra en een beroemde tenor hadden geopperd dat Marcel ontoerekeningsvatbaar, want erfelijk belast, zou kunnen zijn, aangezien zijn vader en moeder in het gekkenhuis waren gestorven. Kwam zoonlief niet voor een medisch onderzoek in aanmerking? De Valles had deze suggestie naast zich neergelegd.

Alleen de zoeaaf gaf te kennen liever te blijven waar hij was. “Als ik word teruggestuurd naar mijn regiment,” zei hij, “sluiten ze me op in de militaire gevangenis; ik geef er de voorkeur aan hier het proces af te wachten.”
Op 5 mei kwam de zaak voor het tribunaal, waar de heer Puget presideerde. De openbare aanklager verlangde een huis clos. Aldus werd besloten. “Vrouwen en priesters dienen de zaal te verlaten,” beval Puget.

De perstribune hoefde niet te worden ontruimd. Toen Jacques d’Adelswärd-Fersen en Hamelin de Warren achter gesloten deuren werden berecht, hadden de journalisten uitvoerig over het geding geschreven, maar de ontknoping van de affaire van de boulevard Montparnasse werd door hen in enkele regels samengevat. Dat is jammer, want het zou interessant zijn meer te vernemen over de verhoren, het “elegante en energieke” requisitoir van de aanklager en de pleidooien van de advocaten.
Het vonnis was niet mals. Er werden celstraffen opgelegd variërend van acht tot achttien maanden. Daar kwamen nog diverse boetes bovenop. De rechters spraken van “daden van afschuwelijke aard,” “schandalige gewoontes” en “tegennatuurlijke ontucht.” Schwob in het bijzonder kreeg ervan langs.

De veroordeelden gingen echter in hoger beroep. Het diende op de negenentwintigste juni, en eindigde met vrijspraak voor alle verdachten. Ook over deze fase van de zaak komen we uit de kranten bitter weinig te weten. Het hof vernietigde het eerdere vonnis omdat “een onmisbaar juridisch element” in de tenlastelegging — het aanzetten van minderjarigen tot ontucht — ontbrak: l’habitude, dat wil zeggen, de gewoonte. En zo bleek ten slotte dat Boulton en zijn vrienden zich op die voor hen zo traumatische nacht aan geen enkele wetsovertreding hadden schuldig gemaakt. Een schrale troost voor de moeder van de doorgedraaide artiest.


Antieke orgieën

Slaagden zijn gasten erin de draad van hun leven weer op te pakken? Een van de aangeklaagde tekenaars, de Amerikaan Claude Simpson, vervaardigde in 1905 het omslag van Messes noires: Lord Lyllian, de autobiografische roman (onlangs herdrukt) van d’Adelswärd-Fersen. In Akademos, het homoseksuele maandblad dat Fersen in 1909 redigeerde, verschenen gezamenlijke bijdragen van Marcel Chabrier en diens vriend, de eveneens in het atelier gearresteerde André Legrand. Chabrier stierf in 1910, Legrand in 1949. Laatstgenoemde publiceerde zijn werk onder de naam Chabrier-Legrand, een indicatie van de hechte band die het tweetal had verbonden.

Omslagillustratie door Claude Simpson uit 1905 voor ‘Messes noires: Lord Lyllian,’ de autobiografische roman van Jacques d’Adelswärd-Fersen

De Nieuwe Rotterdamsche Courant meldde op 21 september 1910 dat Alexis Duco Harmens, onze in opspraak geraakte landgenoot die op 6 februari 1858 in Harlingen was geboren, “te Napels na eene kortstondige ziekte” was overleden. De koopman was ongehuwd, en woonachtig in Engeland waar hij huizen in Londen en Bayswater bezat. En wat is er van Vere geworden, de Ier met de soldaten-fixatie? Hoe liep het af met Jules Julitte, met Kessler, met Schwob en de anderen die zich tegoed hadden gedaan aan Boulton’s gebak, champagne en bananen? We zullen het waarschijnlijk nooit weten.

Bladerend in de jaargang 1904 van Le Figaro viel mijn oog op een artikel dat daar op 28 juni, dus kort vóór de vrijspraak van de verdachten, verscheen. Het verslag van een lezing die Albert Gayet te Parijs had gehouden over zijn recente opgravingen in Egypte. Het evenement had “een elegant gehoor” getrokken, “zó talrijk dat de zaal binnen de kortste keren overvol was en vele personen geen plaats konden krijgen.”

Archeologie, aldus de journalist, mag zich over het algemeen zelden in een dergelijke belangstelling verheugen, maar de vondsten van de heer Gayet “zijn niet alleen van grote wetenschappelijke waarde, ze weten bovendien te charmeren, en boeien alle kunstliefhebbers en eenieder die gegrepen wordt door het prestige van het verleden.” En wáár had Gayet gegraven (of laten graven), welk ondergestoven oord had hij onder het woestijnzand te voorschijn gehaald? Antinoé... Antinoé! De door Hadrianus ter nagedachtenis aan de in de Nijl verdronken Antinoüs gestichte stad, een monument voor de lieveling van de “perverse,” door de Kerkvaders verketterde keizer!

Het trof me dat uitgerekend een lezing over Antinoé zoveel volk op de been bracht op het moment dat de affaire van Boulton’s “antieke orgieën” haar ontknoping beleefde.

De Franse illustrator Paul Avril tekende Hadrianus en Antinoüs in 1906. Zijn erotische prent werkt, vooral door de aanwezigheid van een naakte slavin die het zwoegende koppel koelte toewuift, op de lachspieren; maar is toch aardig en inspirerend, een prettig bewijs dat er in de Belle Époque ook mensen waren die, Goddank, niet zeurden over homoseksualiteit. Tot die verlichte minderheid behoorde de markiezin de Casa-Fuerte.




Hadrianus en Antinoüs verbeeld door Paul Avril (1849-1928). De illustratie verscheen in een prachtige Franse editie van Friedrich-Karl Forberg’s ‘Manuel d’érotologie classique (De Figuris veneris),’ uit het Latijn vertaald door Isidore Lisieux (Parijs: Charles Hirsch, 1906)

Ze was niet op haar mondje gevallen, en krijgt het laatste woord. Op zekere dag attendeerde een aristocrate haar en plein public op de “verdachte vriendschappen” die haar zoon erop nahield. Een provocatie. De markiezin bewaarde haar kalmte. Glimlachte. “Des te beter, mevrouw,” zei ze zoetgevooisd, “des te beter. Dan gaat hij tenminste niet met U naar bed.”

Met dank aan Raimondo Biffi, Sander Creman, Jean-Claude Féray en Paul Snijders.

Bibliografie
L’Aurore, Le Figaro, La Justice, Le Matin, Le Petit Parisien, La Presse, maart – juni 1904
- Roger Peyrefitte, L’Exilé de Capri. Édition définitive. Parijs: Flammarion, 1974
- Marc-André Raffalovich, “Une affaire unisexuelle à Paris en 1904. (Résumé du journal l’Éclair).” In: Archives d’anthropologie criminelle, de criminologie et de psychologie normale et pathologique. XXII, 1907, 775-780
- Régis Revenin, Homosexualité et prostitution masculines à Paris 1870-1918. Parijs: L’Harmattan, 2005













GERELATEERDMEER VAN CASPAR WINTERMANSMEEST GELEZEN VAN CASPAR WINTERMANS



mrt 2020        lengte: 4 min.


mrt 2019       


mei 2017        lengte: 4 min.




Een Parijse affaire uit 1904, deel 2 - Gebak, champagne en bananen

Caspar Wintermans, in Historie & Politiek op 15 augustus 2020
Reageren? Jouw reactie:

Je naam:
Email (wordt niet getoond):
min. 15 karakters, geen links of html svp




















bottom image




Entire © & ® 1995/2020 Gay International Press & Stichting G Media, Amsterdam. All rights reserved.
Gay News ® is een geregistreerde merknaam. © artikelen Gay News; duplicatie niet toegestaan. Opname uitsluitend na schriftelijke toestemming van uitgever, met verplichte bronvermelding gaynews.nl. Door derden overgenomen artikelen worden in rekening gebracht, en zo nodig geincasseerd. Gay News ISSN: 2214-7640, ISBN 8717953072009. Gay News op Wikipedia.
Volg Gay News:
Twitter Issuu
RSS RSS Editors
zelfstandige Escortboys

CMI
Neem contact op
Abonneren
Adverteren






© 1995/2020 Gay News ®, GIP/ St. G Media