Back to Top
Vrijdag 13 Dec
86390 users - nu online: 1183 people
86390 users - nu online: 1183 people login
VAN ONZE EDITORS
Share:







lengte: 9 min. Printervriendelijke Pagina  
De fascinaties van Boudewijn Büch


door Hans Hafkamp in Films & boeken , 23 april 2007
lengte: 9 minuten


In de literatuurwetenschap bestaat er de laatste decennia een grote belangstelling voor de zogenaamde “receptiegeschiedenis.” Niet de biografie van een schrijver, noch de analyse van een werk of het oeuvre staat hierin centraal, maar de ontvangst van een boek c.q. oeuvre, door critici en/of lezers, hoewel over de manier waarop een boek door recensenten en, later, wetenschappers werd ontvangen natuurlijk doorgaans veel meer materiaal voorhanden is dan over wat de “gewone” lezers ervan dachten.

Wie ooit een geschiedenis van de naoorlogse Nederlandse literatuur schrijft met vooral aandacht voor wat er over de belangrijkste schrijvers is geschreven, zal constateren dat - afgezien van studies die als belangrijkste doel lijken te hebben een schrijver volledig onderuit te halen - sommige auteurs vooral serieuze bewonderaars hebben, die serieuze boeken over hen publiceren maar dat anderen door ware fans ronduit worden geadoreerd. Fans, die elke snipper papier van hun vereerde held voor een cultuurschat van onschatbare waarde houden en: “Als de schrijver een scheet heeft gelaten, zeggen ze: / ‘Sjonge jonge, wat ruikt het hier lekker, / net of iemand lever met uien staat te bakken’,” om “Het Ware Geloof” van Gerard Reve onherstelbaar verbeterd te citeren.

Krankzinnige boekjes

Dat ik Reve hier te berde breng is niet toevallig, want hij behoort in hoge mate tot de schrijvers die niet alleen tot gedegen studies hebben geïnspireerd, maar ook tot onzinnige fan-schrifturen. Onaantastbaar op de eerste plaats van een Top Zoveel van totaal krankzinnige secundaire geschriften staat het boekje ReveRie door Henk de Jonge. Dit handelt, zoals de ondertitel duidelijk maakt, over “het wel en wee van de ‘Ernst Kaps’ piano van Gerard Reve.” Reve geniet enige faam als de schrijver die met zijn nagels op zijn tanden het Wilhelmus ten gehore kon brengen, maar staat niet bekend om zijn grote muzikale kennis of belangrijke teksten over muziek. Dat hij ooit een piano bezat is dus een nutteloos weetje.

Toch worden in ReveRie totaal nietszeggende, tweeregelige briefjes van mensen die ooit een band met de schrijver hadden en dus mogelijk iets aan deze musicologische geschiedschrijving hadden kunnen toevoegen, in facsimile gereproduceerd alsof het uiterst kostbare documenten zijn.

Op de tweede plaats van de onzinboekjes-hitlijst staan de Markante herinneringen aan Ootmarsum van Frans Mouws en Paul Westgeest, waarin ze onderzoek doen naar de vakanties die laatstgenoemde met zijn jeugdvriend Boudewijn Büch op vijftienjarige leeftijd in de omgeving van dit Overijsselse plaatsje doorbracht.

God, de latere wereldreiziger vierde in zijn tienerjaren in eigen land vakantie, belangrijk! Zo belangrijk zelfs dat dit boekje vergezeld gaat van een dvd waarop “een stukje vakantie van de jonge Paul en Boudewijn [is] vastgelegd.” Een familievakantiefilmpje zoals er ongetwijfeld duizenden in Nederlandse huishoudens rondzwerven, met als enige verschil dat daarop niet de tiener Boudewijn Büch te aanschouwen valt.

Wie de veilingcatalogus van Büch’s imposante boekenverzameling doorbladert en zijn van bibliografische informatie doordrenkte essayistiek kent, zal constateren die hij de ReveRie met graagte had aangeschaft, hoewel het de vraag is of de schrijver die zijn hele carrière bezig is geweest met het construeren van een compleet nieuwe autobiografie evenveel plezier had beleefd aan het in genoemde Ootmarsumse herinneringen opgetekende, totaal alledaagse hoofdstuk uit zijn leven.





Pakhuis

Boudewijn Büch is een uitzonderlijk geval in de Nederlandse literatuur waar het de verering door fans betreft. Dit hangt ongetwijfeld samen met de omstandigheid dat hij een groot deel van zijn loopbaan niet in de eerste plaats als schrijver bekendheid genoot, maar als televisiepersoonlijkheid en dus Bekende Nederlander. Hij heeft twee elkaar vriendschappelijk beconcurrerende fanclubs. Er is een jaarboek aan hem gewijd en een jaarlijks verschijnend magazine.


En sedert zijn ontijdige dood in 2002 verschenen er drie omvangrijke biografische werken (een aantal waarop sommige belangrijke Nederlandse auteurs waarschijnlijk drie eeuwen zullen moeten wachten) en een nu al onoverzienbare hoeveelheid kleine(re) geschriften. Gelukkig hebben niet al deze boeken en boekjes hetzelfde, onwaarschijnlijk hoge onzingehalte als de Ootmarsum-herinneringen.

Eén van de Büch-enthousiasten die regelmatig met lezenswaardige beschouwingen van zich doet horen is de jonge Haagse publicist Menno Voskuil. Of Büch’s oeuvre de tand des tijds zal doorstaan is een vraag die alleen deze knagende entiteit kan beantwoorden.

Maar wie, zoals velen voor hem, gegrepen wordt door zijn onverbiddelijke bestseller De kleine blonde dood en daarna meer over zijn werk en de daarin, met het enthousiasme dat ook zijn televisie-uitzendingen kenmerkte, uitgedragen fascinaties wil weten, kan terecht bij Pakhuis Büch, waarin Voskuil acht, deels eerder verschenen, essays over Büch’s obsessies heeft samengebracht. Voskuil richt zich hierin op Büch’s letterkundige productie en houdt zich gelukkig verre van allerlei roddeljournalistiek over diens naar z’n hand gezette levensverhaal.



Homo-erotisch auteur

Toen Büch in 1976 zijn debuut in de Nederlandse letteren maakte met de bundel Nogal droevige liedjes voor de kleine Gijs was het duidelijk dat ook aan de stam van de Vaderlandse homo-erotische literatuur een nieuwe loot ontsproten was. Voskuil wijdt dan ook onder het citaat “Experimenteer! Ook met mannen èn in Liefde” een van zijn beschouwingen aan “Boudewijn Büch’s fascinatie voor de homoseksualiteit.” In dit artikel maakt Voskuil duidelijk dat Büch’s annexatie door de homowereld op z’n minst voorbarig was, hoewel niet zonder grond.

Het staat onomstotelijk vast dat Büch in de vroege jaren zeventig actief was in de Studenten Werkgroepen Homoseksualiteit, dat hij in bijdragen aan het FSWH-blaadje Proefding weerbaar voor de gelijkgeslachtelijke liefde in het strijdperk trad, dat hij ook in het COC-tijdschrift Sek en in Homologie publiceerde, dat de eerste twaalf jaar van zijn letterkundige carrière (namelijk tot de Brieven aan Mick Jagger uit 1988) de heren-, of misschien beter, de jongensliefde een niet te ontkomen rol in zijn werk speelde en dat hij zich in interviews ondubbelzinnig als homo- dan wel pedoseksueel presenteerde.

Maar ook is niet te ontkennen dat na 1988 zijn interesse in dit onderwerp als sneeuw voor de zon lijkt te verdwijnen, met uitzondering van een aantal niet al te positieve opmerkingen in latere romans.
Het citaat dat Voskuil uit Geestgrond (1995) aanhaalt, is echter toch van een zekere ambiguïteit. De hoofdpersoon van deze roman, Winkler Brockhaus, antwoordt zijn psychiater op de vraag of hij homoseksueel is, met een bevestiging noch een ontkenning maar met een uitval:

“Nou ja, relnichten, verkleednichten en oppervlakkige cokenichten, dat vind ik vervelende types. [...] Sinds aids rondwaart, zijn homoseksuelen van die ongelooflijke relnichten geworden, opgepoetste pikken en super-outers [...] ik bedoel van die nichten die overal zo nodig nicht moeten wezen. Ze hebben nu ook al hun eigen concentratiekampen; discotheken noemen ze die. Weet u dat je er tegenwoordig niet helemaal meer bij hoort als je geen netkousen, een pruik of een met watten opgevulde bh draagt?”

Inderdaad, je zou, zoals Voskuil doet, kunnen stellen dat homoseksualiteit hier “in een negatief daglicht” wordt gesteld, maar ik zou de keurig aangepaste homo’s die dezelfde boutade afsteken niet graag de kost geven.



Zoals ik al constateerde is Voskuil vooral geïnteresseerd in Büch’s letterkundige productie en hij gaat zich dan ook niet te buiten aan ellenlange roddelzuchtige speculaties over Büch’s “ware” seksuele voorkeur. Een vraag die ook niet echt belangrijk is, al was het maar omdat seksuele voorkeur volgens gradaties verloopt en lang niet iedereen óf honderd procent homo óf honderd procent hetero is. Voskuil toont aan dat homoseksualiteit lange tijd een belangrijke rol in Büch’s werk heeft gespeeld en dat is op de lange termijn het enige wat echt interessant is.

Onder het teken van de libel

Door deze jarenlange fascinatie is dit essay niet het enige waarin homoseksualiteit ter sprake komt. Voskuil wijdt ook een hoofdstuk van Pakhuis Büch aan de bibliofilie. Eigenlijk is dit een te grootse noemer, want het stuk gaat vooral over Büch’s contacten met en uitgaven bij de private press Sub Signo Libelli van Ger Kleis. Voskuil omschrijft de productie van deze meesterdrukker als “een romantisch-decadent fonds,” maar wie weet dat Gerard Reve zich regelmatig als romantisch-decadent auteur benoemde, kan vermoeden dat deze omschrijving een dieper liggende betekenis heeft. En dat klopt.

In een interview met Kleis, dat in 1991 verscheen in een themanummer over Tegennatuurlijke Letteren van het literaire tijdschrift Bzzlletin, zegt de drukker dat de libel associatief ook verwijst naar het Engelse “libel”, schotschrift: “en dat idee was voor mij puur gebaseerd op homoseksualiteit. Ik had op dat moment het gevoel dat ik me nooit meer de mond hoefde te laten snoeren omdat ik altijd nog teksten zou kunnen drukken die ík zou willen uitgeven, en daarbij dacht ik heel duidelijk aan homoseksualiteit. Dat ‘libel’ wat mijn antwoord op mijn uittreding, mijn coming out of the closet. Toen ik me veilig genoeg voelde om een auteur te vragen, toen ik dacht: ‘nu kan ik er eindelijk iets van,’ toen heb ik bewust aan Gerrit Komrij een tekst met een homoseksuele achtergrond gevraagd.”

Dit werd de cyclus Capriccio, die in 1978 werd gepubliceerd en een jaar later verscheen Nohant, de eerste bundel van Büch die onder het teken van de libel het licht zag! Het is in dit opzicht enigszins ironisch dat de laatste keer dat Büch en Kleis samenwerkten dit aan de bundel Drie Reve-Gedichten (1994) was. Voskuil verhaalt hoe deze uitgave tot een breuk tussen dichter en drukker leidde, die nooit meer werd geheeld en die, tot genoegen van bibliofielen, tot een bibliografisch tamelijk complex boek leidde.


Het zal niemand die enigszins met Büch bekend is, verwonderen dat de eerste beschouwing van Pakhuis Büch aan Büch’s levenslange fascinatie voor Goethe is gewijd. Dit opstel draagt als titel het citaat “Als ik over Goethe vertel, gaat het meestal nergens over.” Deze uitspraak getuigt van enige zelfspot, want Büch publiceerde twee boeken over de Duitse dichter en ontelbare verspreide artikelen en columns.

Maar het is waar dat Büch mateloos was gefascineerd door wat hij De Goethe-Industrie (2002) noemde, het Nachleben, de vele curieuze boeken over rare deelonderwerpen of onderwerpen waar, zoals Büch zelf ook met graagte deed, Goethe met de haren bijgesleept leek te zijn. In zijn eerste Goethe-boek, Goethe en geen einde (1990), wijdde Büch ook een hoofdstuk aan Goethe en homoseksualiteit.

Dit bestaat dus niet uit een gedegen analyse van de nawerking van die twee regels die Goethe vanaf het begin van de moderne homo-emancipatiebeweging aan het eind van de negentiende eeuw een plaats in de verdedigingsgeschriften bezorgden: “Knaben liebt ich wohl auch, doch lieber sind mir die Mädchen, / Hab ich als Mädchen sie satt, dient sie als Knabe mir noch.” (Die, als ze al ergens een verdediging van zijn, eerder een verdediging van sodomie en biseksualiteit zijn, dan van homoseksualiteit.).

Sommigen hebben wel eens vraagtekens gezet bij Büch’s kennis van Goethe’s oeuvre, zoals dat ook het geval was bij zijn kennis van de Franse dichter Arthur Rimbaud, een ander icoon van de homo-erotische letteren, aan wie Voskuil ook een hoofdstuk wijdt. Hij komt tot de conclusie dat Büch’s “drang om over Rimbaud te schrijven [...] eerder voort[kwam] uit de haast blinde bewondering die hij voor de persoon van de dichter koesterde dan uit de ideeën die hij had over Rimbauds poëzie.”

Deze constatering gaat zeker niet op voor Voskuil’s drang over Büch te schrijven, want diens werk staat centraal in Pakhuis Büch, dat naast de al genoemde essays ook beschouwingen bevat over Büch’s fascinatie voor eilanden, de Tsjechische graficus Vladimír Sucháneck, Mick Jagger (“de allermooiste jongen op de hele wereld,” aldus Büch) en dat besluit met een uitvoerig opstel over de geheel eigen versie van zijn biografie zoals Büch die in zijn tiental romans construeerde.

Menno Voskuil, Pakhuis Büch: Over de fascinaties van Boudewijn Büch. Amsterdam, Uitgeverij De Werken, 2006, 152 blz., isbn 9789078711018, E 15,00. www.dewerken.nl





Commentaar:
Re: De fascinaties van Boudewijn Büch-


Reactie van Hans1952 dd. 16 mei 2007
Werkelijk waar een moóie uitgave die het oeuvre én gedachtegoed van Boudewijn op zeer nauwkeurige wijze weet te verwoorden. Zodra er weer iets nieuws van Menno uitkomt (of die uitgeverij 'de werken'), sta ik als eerste in de rij.. De vijftien piek waard..!









GERELATEERDMEER VAN HANS HAFKAMPMEEST GELEZEN VAN HANS HAFKAMP



mrt 2018       


jun 2018       


mrt 2019       


apr 2016        lengte: 6 min.




De fascinaties van Boudewijn Büch

Hans Hafkamp, in Films & boeken op 29 april 2019
Reageren? Jouw reactie:

Je naam:
Email (wordt niet getoond):
min. 15 karakters, geen links of html svp







In het nieuwste nummer, Gay News 340, december 2019





















bottom image




Entire © & ® 1995/2019 Gay International Press & Stichting G Media, Amsterdam. All rights reserved.
Gay News ® is een geregistreerde merknaam. © artikelen Gay News; duplicatie niet toegestaan. Opname uitsluitend na schriftelijke toestemming van uitgever, met verplichte bronvermelding gaynews.nl. Door derden overgenomen artikelen worden in rekening gebracht, en zo nodig geincasseerd. Gay News ISSN: 2214-7640, ISBN 8717953072009. Gay News op Wikipedia.
Volg Gay News:
Twitter Issuu
RSS RSS Editors
zelfstandige Escortboys

CMI
Neem contact op
Abonneren
Adverteren






© 1995/2019 Gay News ®, GIP/ St. G Media